Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten
Volgend artikelVolgend Artikel

 14 aug 2019 10:32 

Klimaatverandering in de Middeleeuwen


Het warme en droge klimaat in Europa van de 8ste tot de 14de eeuw zorgde voor rijke oogsten, bevolkingsgroei, de opkomst van steden en een explosie in de bouw van kathedralen. donderdag 20 juni 2019
Dit artikel verscheen in de National Geographic Historia editie 2, 2019.

Tijdens het Würmglaciaal (ca.115.000 tot 10.000 jaar geleden) verschenen Homo neanderthalensis en onze soort Homo sapiens in Europa. Aan het eind van het glaciaal begon het Holoceen, de geologische periode waarin we nu leven en waarin ook de Middeleeuwse Warme Periode viel.
 
‘Het leek of de aarde haar ouderdom afschudde en zich tooide met een witte mantel van kerken. In die tijd werden bijna alle bisschoppelijke kerken, alsmede alle aan diverse heiligen gewijde kloosters, tot aan de kleinste kapelletjes toe, vervangen door nieuwe gebouwen.’ 
 
Zo uitbundig beschrijft Raoul (of Rodulfus) Glaber, een monnik in de abdij van Cluny, de wereld vlak na de eerste millenniumwisseling. Het was een dynamische tijd, waarin de landbouwproductie groeide en de welvaart toenam, wat leidde tot de bouw van talrijke romaanse en later vooral gotische kunstwerken. De economische injectie van de landbouw op zijn beurt, was weer het gevolg van een uitzonderlijk mild klimaat dat zorgde voor rijke oogsten. 

In 1965 muntte de Brit Hubert H. Lamb, een van de eminentste klimaathistorici van zijn tijd, de term ‘Middeleeuwse Warme Periode’ (ook ‘Middeleeuwse Klimaatanomalie’ of ‘Middeleeuws Klimaatoptimum’ genoemd). Hij gebruikte de naam om een tijdperk te karakteriseren waarin de temperatuur op het noordelijk halfrond aanzienlijk warmer was dan in de perioden daarvoor en daarna. 
 
Op grond van uitvoerig bronnenonderzoek en geologische data verzamelde Lamb zo veel mogelijk cijfers over de regenval in de zomer en de vorst in de winter. Daaruit trok hij de conclusie dat van de 8ste tot begin 14de eeuw het klimaat in de hogere breedten van het noordelijk halfrond aanzienlijk zachter was dan normaal. Het gevolg hiervan was dat de noordelijke ijskap en de gletsjers in de Alpen gedeeltelijk afsmolten, waardoor de zeespiegel steeg en de boomgrens in de gebergten naar boven opschoof. 
 
Hoewel het gebied rond de Middellandse Zee (waar de temperatuurstijging vanaf de 12de eeuw voelbaar werd) te kampen had met grotere droogte, waren in het algemeen, als gevolg van de warmere zomers en de zachtere winters, de graanoogsten overvloedig, vooral in de tweede helft van de 13de eeuw. In de periode van de middeleeuwse opwarming, waarvan het hoogtepunt door de klimatologen op het jaar 1100 wordt gesteld, nam de landbouwproductie toe. Ook het algemene welvaartspeil werd hoger. Een bijkomend effect van de hogere temperatuur was dat de Denen en andere Scandinaviërs – de zogeheten Vikingen of Noormannen – over de noordelijke Atlantische Oceaan uitzwermden en zich vestigden in onder meer IJsland, Groenland en het vasteland van Amerika. 
 
Voor de middeleeuwse landbouweconomieën gingen overvloedige oogsten en een toename van de welvaart hand in hand. Die ‘welvaart’ ging overigens niet veel verder dan het bestaansminimum. De zachte winters en lange zomers, met een gemiddelde temperatuurstijging van niet meer dan twee graden, zorgden voor een iets betere graanopbrengst, meer weidegronden (waardoor de veestapel toenam) en de komst van de wijnstok in zones waar die eerder niet groeide – en ook nu niet groeit. 
 
Een goede wijnoogst vereist voldoende zonuren, warmte en weinig regen in de zomer, plus een late intrede van de vorstperiode. Aan die voorwaarden voldeed de Middeleeuwse Warme Periode, met het gevolg dat er druiven werden geteeld in het zuiden van Scandinavië, in het Zwarte Woud tot op een hoogte boven de zevenhonderd meter, in Oost-Pruisen en in Midden- en Zuid-Engeland. Er werd zelfs wijn geëxporteerd van Engeland naar het Europese vasteland. 
 
Aan het begin van de Middeleeuwen waagden de mensen zich nauwelijks op de noordelijke Atlantische Oceaan. De zee werd als een vreselijk oord beschouwd, duister en vijandig, waar je maar beter kon wegblijven. Alleen om het christendom te verbreiden zetten vermetele Ierse monniken in de 6deen 7de eeuw zeil om een paar eilanden te koloniseren. Pas in de 9deeeuw, toen de warme periode al even op gang was gekomen en de omstandigheden veel gunstiger werden voor de zeevaart, togen de Scandinavische volken eropuit om de oceaan te verkennen. De Noormannen waren uitstekende zeevaarders, die gaandeweg hun schepen zodanig verbeterden dat ze in staat waren allerlei eilanden in de Atlantische Oceaan te verkennen en te koloniseren. Rond het jaar 800 bereikten ze de Shetlandeilanden, de Orkaden, de Hebriden en de Faeröer. Tussen 860 en 870 bezetten ze IJsland en voeren van daaruit naar Groenland, dat ze overigens pas in 982 in bezit namen. Ze werden aangevoerd door Erik de Rode, die het eiland zijn naam gaf en een nederzetting stichtte in het zuidwesten, het warmste deel van Groenland. Tegen het jaar 1000 voer zijn zoon, Leif Eriksson, verder westwaarts naar een land dat hij ‘Vinland’ doopte, ‘Wijnland’ in het Oudnoors, wellicht het huidige New England of het noorden van Newfoundland. De omstandigheden in dat deel van de wereld veranderden in de 13de eeuw: de temperatuur daalde en het noordpoolijs rukte op in de noordelijke Atlantische zone, waardoor scheepvaart er vrijwel onmogelijk werd. 
 
In de Middeleeuwse Warme Periode, met vooral tussen 1100 en 1200 hoge temperaturen, nam de bevolking in Europa toe, bloeide de landbouw en werd de maatschappelijke ontwikkeling versneld. De bevolkingsgroei was spectaculair: tussen 1000 en 1347, vóór de komst van de zwarte dood, groeide het aantal inwoners van 35 miljoen naar 80 miljoen. 
Reis door de tijd en ontdekWord abonnee
De bevolkingsgroei en de toenemende economische activiteit tijdens het Middeleeuws Klimaatoptimum leidden in Europa tot massale ontbossing. In het jaar 500 was het Europese continent voor tachtig procent met bossen bedekt, maar rond 1200 was dat geslonken tot hooguit vijftig procent. De rest was gekapt om plaats te maken voor akkers en weidegronden, voor de bouw van kathedralen, huizen, schepen en zelfs molenwieken, en om brandstof te leveren voor de manufacturen en de haarden van de burgers in de groeiende steden.
 
Dit betekende dat de vraag naar geschikte landbouwgronden explodeerde, en om daaraan tegemoet te komen, werd het areaal uitgebreid naar voorheen woeste gronden: moerasgronden, zandgronden, bossen of nog ruiger gebied. De uitvinding van de keerploeg betekende een belangrijke stap om deze gronden te kunnen ontginnen. Deze innovatie werd snel gevolgd door andere, zoals het drieslagstelsel. Dat hield in dat men het ene jaar wintergranen (spelt, tarwe en rogge) verbouwde op een akker, het volgende jaar zomergranen (gerst en haver) of vlinderbloemigen als bonen en erwten, en daarna het land een jaar braak liet liggen, zodat de bodem zich kon herstellen. Dit systeem verspreidde zich in de 9de eeuw vanuit het noordwesten van Frankrijk over heel Europa. 
 
Zoals de Britse archeoloog Brian Fagan heeft vastgesteld konden zo meer mensen en dieren worden gevoed. Het aantal steden groeide hierdoor exponentieel: van de 11de tot midden 12de eeuw ontstonden er wel 1500 nieuwe stedelijke agglomeraties met hun eigen marktplaatsen. Door de toegenomen landbouwopbrengst werden de samenlevingen dynamischer en door de handel werden ze levendiger. Het bruisende stedelijk leven kwam tot uitdrukking in majestueuze kathedralen en de opkomst van de gilden. Europa maakte een gedaanteverwisseling door. 
 
Bij dat alles moeten we wel bedenken dat het klimaat in de Middeleeuwse Warme Periode niet uniformwas, maar juist heel variabel, met uitzonderlijk strenge winters, zoals die van 1010-1011 (die zelfs het gebied rond de Middellandse Zee trof) of van 1258. De laatste werd veroorzaakt door de afkoeling van de atmosfeer als gevolg van de grote hoeveelheden as die waren uitgebraakt door de vulkaan Samalas op het Indonesische eiland Lombok.
 
Ook regende het vaker en harder in het zuiden van Europa en in het westelijke Middellandse Zeebekken, waardoor rivieren, van Sicilië tot Griekenland, en zelfs de wadi’s in Noord-Afrika, overstroomden. Bij tijd en wijle staken er hevige stormen op boven de Noordzee en het Nauw van Calais. Deze veroorzaakten samen met de hoge zeespiegel als gevolg van de opwarming, vernietigende overstromingen die duizenden mensenlevens kostten in de Lage Landen en Duitsland. 
 
In andere delen van de wereld was de situatie heel anders, daar was geen sprake van het milde klimaat waar Europa zo van profiteerde. Integendeel: veel gebieden werden zowel door hitte en droogte als door zware regenval geteisterd. De desastreuze gevolgen van langdurige extreme droogte – dé grote dreiging van de opwarming van de aarde – werden vooral gevoeld in Amerika, India, Noord-China, de Euraziatische steppen, de Sahel (de savanne ten zuiden van de Sahara), de Nijlvallei en Oost-Afrika. 
 
Het Iberisch Schiereiland kreeg, net als de rest van Zuid-Europa, pas een paar eeuwen later dan het noorden en midden van het continent te maken met de Warme Middeleeuwse Periode. Vooral de neerslag nam toe. De Spaanse meteoroloog Inocencio Font Tullot stelde vast dat in de 11de eeuw hoge temperaturen overheersten. Strenge winters leken te zijn verdwenen, behalve die van 1077 en de zeer regenachtige winter van 1084-’85. Aan de andere kant waren er ook droogteperioden, waarvan sommige extreem, zoals die van 1057-’58, 1088 en 1094. De warmte hield aan in de 12de eeuw, een periode waarin er weinig koude winters waren, maar ook geen drukkend warme zomers. 
 
Maar het plaatselijke weer kon sterk afwijken van het gemiddelde. In het noordoosten van het schiereiland waren er enkele uitzonderlijk strenge winters. Tussen 1190 en 1200 bevroren enkele rivieren op de noordelijke en centrale hoogvlakten. En hoewel het over het algemeen droog was, vielen er in de winter hevige regens in het Atlantisch stroomgebied. Ook in het mediterrane stroomgebied kwamen overstromingen voor, zoals die van de Llobregat in Catalonië, in 1143. 
 
Door de bank genomen was de 12de eeuw klimatologisch gezien geen slechte tijd in Europa, maar de overgang naar een koudere periode was al wel merkbaar in het noordoosten. Vanaf begin 14de eeuw liet de overgang naar een nieuw tijdperk zich over het hele continent gevoelen met hevige schommelingen die uitmondden in een veel koudere periode: de Kleine IJstijd, die zou duren tot het midden van de 19de eeuw. 
 
Het eerste teken dat de Middeleeuwse Warme Periode ten einde liep, was de strenge winter van 1309-’10. In 1315 vernielden maandenlange slagregens de oogsten. 
 
Als gevolg van het weer brak er in de zeven jaar daarna een verschrikkelijke hongersnood uit in Noord- en Midden-Europa. De mensen geloofden dat de rampzalige klimaatverandering, na tientallen jaren van rijke oogsten en warm weer, een straf van God was. 

    Het rampjaar 1315
 
Zes weken vóór Pasen begint het te regenen en het blijft regenen
tot en met augustus, waarna een koude maand september volgt. De akkers staan onder water, de gewassen groeien niet of verrotten. Het regenwater spoelt de percelen uit die in de warme periode waren veroverd op de berghellingen en bossen. 
 
    Beter brood dan bier
 
De graanprijs stijgt, hoewel Edward II van Engeland deze laag had willen houden. Hij geeft tevens opdracht om de productie van uit graan gebrouwen dranken te stoppen. Ook vraagt hij de kerk woekeraars te verdoemen en stimuleert hij de import van graan. Maar zijn inspanningen blijven zonder resultaat, overal is schaarste. 
 
    Honger en gebrek
 
De regenval in het voorjaar van 1316 maakt de aanplant van haver, gerst en spelt onmogelijk. De chroniqueurs spreken van een nieuwe zondvloed. 
 
Er wordt steeds meer hongergeleden. Als gevolg daarvan raakt de lichamelijke weerstand van velen verzwakt en ontstaan er ziekten. Eind 1316 leven de boeren en landarbeiders in grote ellende, ze eten gras en vlees van zieke dieren. 
 
    De dieren bezwijken
 
Het jaar 1316 is wat de graanteelt betreft het dieptepunt van de Middeleeuwen. Niet alleen mensen lijden honger, ook het vee. In de strenge winter van 1317-’18 is het weinige wintervoer dat er nog is op en moeten de beesten naar buiten om te grazen, waarna ze van honger omkomen. Dit is het begin van een massale veesterfte die voortduurt tot 1320.
 
    Ze graasden als het vee
 
De sterfte onder het vee brengt een verminderde mestproductie met zich mee en ook het aantal trekdieren neemt af. Dat heeft weer zijn weerslag op de landbouw, voedsel wordt nog schaarser. In Vlaanderen ‘graasden’ de bedelaars ‘als het vee’ buiten de steden. Vijf tot tien procent van de stedelijke bevolking in deze streek sterft tijdens de grote hongersnood. 
 
    Begin van een nieuwe tijd
 
Met de strenge winter van 1322 eindigt de rampzalige cyclus van noodweer, slechte oogsten, honger en ziekte die in 1315 begonnen was. Maar het weer blijft grillig, het stabiele klimaat van de voorgaande eeuwen keert niet terug. De Noordzee en het Nauw van Calais krijgen vaker te kampen met stormen en harde wind. De Kleine IJstijd is begonnen.



  Nieuwsflash
 
Vlaamse Regering keurt hervorming loopbaancheques goed Lees meer
 
 
Vlaanderen wapent zich tegen erosie Erosiesymposium op Wereldbodemdag Lees meer
 
 
MaïsService biedt verzekering voor 2020 Lees meer
 
 
Agribex 2019: Agrafiek AwardsLees meer
 
 
Prijs varkensvlees op hoogste niveau in 20 jaar Lees meer
 
 
Boetes niet meer te ontlopen vanaf 2020Lees meer
 
 
Welke factoren beïnvloeden het aardappelareaal? Lees meer
 
 
CRV Fleckvieh voert ranglijst aan en bevestigt genomicsLees meer
 
 
Agribex: Open Vld-delegatie steunt #boerzktrespect-actie ABSLees meer
 
 
Landbouwexpert Kurt Becue geridderd in de Leopoldsorde Lees meer
 
 
Agribex 2019: West-Vlaanderen telt het meest jonge boerenLees meer
 
 
Agribex 2019 - Johan Colpaert: "open ruimte redden, iedereens bijdrage"Lees meer
 
 
Agribex 2019: 'Landbouwparlement': ‘Met je grond doen wat je wilt, kan niet meer’ Lees meer
 
 
Uitzaaien suikerbietzaden gecoat met thiamethoxam/beta-cyfluthrin/clothianidin tijdelijk toegelatenLees meer
 
 
Agribex 2019: maak kennis met het aanbod opleiding van NACLees meer
 
 
Zesde trefdag van de VarkensAcademie Lees meer
 
 
PCA-noteringLees meer
 
 
SALV geeft beleidswenken voor een klimaatbestendige landbouw Lees meer
 
 
ILVO zet klimaatonderzoek in de kijker op Agribex 2019Lees meer
 
 
Nieuwe landbouwvoertuigen: verplicht Europees gelijkvormigheidsattest vanaf 1 januari 2020 Lees meer
 
 
ABS blijft hameren op #boerzktrespect Lees meer
 
 
Voorraadinventarisatie aardappelen november 2019Lees meer
 
 
Steunaanvragen voor landbouwers worden gebruiksvriendelijker Lees meer
 
 
Limagrain Belgium pakt zaaigraanactiviteiten anders aan Lees meer
 
 
Beleidsnota Omgeving 2019-2024Lees meer
 
 
Deskundigen belast met de schatting van dieren voor het Begrotingsfonds voor de gezondheid Lees meer
 
 
Bestrijding van aardappelcysteaaltjesLees meer
 
 
Nieuwe eisen voor landbouwvoertuigen vanaf 1 januari 2020 Lees meer
 
 
Product op basis van metalaxyl-M tijdelijk toegelaten (zaaizaad suikerbieten tegen valse meeldauw)Lees meer
 
 
Brede weersverzekering: Crelan biedt product Vereinigte Hagel aan onder de naam Secufarm6©Lees meer