Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten
Vorig ArtikelVorig artikel Volgend artikelVolgend Artikel

 12 jul 2019 09:06 

Ministerieel besluit houdende het aantonen van biomassakenmerken


DE VLAAMSE MINISTER VAN BEGROTING, FINANCIEN EN ENERGIE,
Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 7.1.3, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, artikel 7.1.4, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij het decreet van 14 maart 2014 en artikel 7.1.5, § 4, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en laatst gewijzigd bij het decreet van 14 maart 2014;
Gelet op het Energiebesluit van 19 november 2010, artikel 6.1.12/1, ingevoegd bij het besluit van 8 april 2011 en laatst gewijzigd bij het besluit van 30 november 2018 en artikel 6.1.16, ingevoegd bij het besluit van 8 mei 2009 en laatst gewijzigd bij het besluit van 30 november 2018;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft technische wijzigingen van de certificatentoekenning en de invoering van biomassacertificatie, van duurzaamheidscriteria voor vaste en gasvormige biomassa en van ILUC-voorwaarden, artikel 32;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft diverse bepalingen over energie, artikel 72;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 6 februari 2018;
Gelet op advies nr. 63.025/3 van de Raad van State, gegeven op 26 maart 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,

Besluit :
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden
Artikel 1. De begrippen en definities, vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009 en het Energiebesluit van 19 november 2010, zijn van toepassing op dit besluit.
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° biomassamarktpartij : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die de eigendom of de fysieke controle heeft over biomassa, vanaf de oorsprong van deze biomassa tot en met het finale gebruik of voor één of meerdere stappen in deze keten;
2° certificatie-instantie : onpartijdig rechtspersoon die biomassarapporten opstelt conform de bepalingen van dit besluit en die de naleving van de eisen met betrekking tot het aantonen van biomassakenmerken controleert over de volledige productieketen van een biomassastroom en gedurende de volledige geldigheidsduur van het biomassarapport, of die een erkend certificatieschema controleert;
3° certificatieschema : geheel van schriftelijke bepalingen dat tot doel heeft kenmerken van een bepaalde biomassastroom aan te tonen en tevens te garanderen dat aan de eisen met betrekking tot certificatie van de betreffende biomassastroom voldaan is doorheen de volledige productieketen van die biomassa.
HOOFDSTUK II. - Biomassarapport
Art. 3. Voor elke gecontracteerde hoeveelheid biomassa wordt overeenkomstig de bepalingen in artikel 4 een biomassarapport opgesteld dat tenminste de in artikel 5 bedoelde informatie bevat en dat aan het Vlaams Energieagentschap wordt overgemaakt.
Art. 4. Het biomassarapport is opgesteld overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 18 tot en met 20 van dit besluit volgens een erkend certificatieschema overeenkomstig de bepalingen in dit besluit door een erkende certificatie-instantie. In de gevallen waarin gepaste normen voor certificatie niet of niet volledig voorhanden zouden zijn, kan het Vlaams Energieagentschap akkoord gaan met verificatie.
Art. 5. § 1. Het biomassarapport bevat ten minste volgende informatie:
1° unieke referentiecode van het biomassarapport;
2° datum van toekenning van het biomassarapport;
3° identiteit van de finale biomassaproducent;
4° identificatie van de biomassastroom;
5° identificatie van de productieketen;
6° land van oorsprong van de biomassastroom en NUTS 2-regio indien van toepassing voor het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/2 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
7° minimale gedekte hoeveelheid van de biomassastroom op jaarbasis.
§ 2. Indien de biomassastroom vervaardigd is uit afvalstoffen, bevat het biomassarapport eveneens volgende informatie:
1° het advies van de OVAM inzake de energetische valorisatie van de afvalstroom;
2° de groenfactor: de hoeveelheid energie van de afvalstroom die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten zoals bepaald in artikel 6.1.10 van het Energiebesluit van 19 november 2010.
§ 3. Indien de biomassastroom een houtstroom betreft, bevat het biomassarapport eveneens volgende informatie:
1° of de biomassastroom wel of niet onder de noemer `korteomloophout' valt;
2° of de biomassastroom wel of niet onder de noemer `hout dat geen industriële grondstof is' valt.
§ 4. Indien de biomassastroom vloeibare biomassa betreft die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen die niet afkomstig zijn van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw, bevat het biomassarapport bijkomend de informatie beschreven in punt 1° van § 5 in dit artikel;
Indien de biomassastroom vloeibare biomassa betreft die a) niet vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen of b) die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen die afkomstig zijn van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw, bevat het biomassarapport bijkomend de informatie beschreven in punten 1°, 2°, 3°, 4° en 5° van § 5 in dit artikel;
Indien de biomassastroom vaste of gasvormige biomassa betreft die niet vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen en die biomassa is afkomstig van landbouw, aquacultuur of visserij, bevat het biomassarapport bijkomend de informatie beschreven in punten 2°, 3°, 4°, 5° en 7° van § 5 in dit artikel;
Indien de biomassastroom vaste of gasvormige biomassa betreft die niet vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen en die biomassa is niet afkomstig van landbouw, aquacultuur of visserij, bevat het biomassarapport bijkomend de informatie beschreven in punten 6°, 7°, 8° en 9° van § 5 in dit artikel;
Indien de biomassastroom vaste of gasvormige biomassa betreft die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen en die biomassa is afkomstig van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw of natuurgebieden, bevat het biomassarapport bijkomend de informatie beschreven in punten 7° en 9° van § 5 in dit artikel;
Indien de biomassastroom vaste of gasvormige biomassa betreft die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen en die biomassa is niet afkomstig van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw of natuurgebieden, bevat het biomassarapport geen bijkomende informatie beschreven in § 5 in dit artikel;
§ 5. Afhankelijk van de aard van de biomassastroom bevat het biomassarapport, overeenkomstig § 4 van dit artikel, al dan niet volgende aanvullende informatie:
1° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd, voor zover van toepassing, met vermelding van de overeenkomstige broeikasgasemissiereducties, het al dan niet gebruik van actuele data, de eventuele bonus voor hersteld aangetast land en de eventuele factor voor emissiereductie door koolstofopslag in de bodem;
2° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/3 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
3° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/4 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
4° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/5 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
5° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/6 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
6° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/7 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
7° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/8 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
8° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/9 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
9° of het criterium zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/10 van het Energiebesluit van 19 november 2010 is nageleefd;
10° het duurzaamheidscertificatieschema of de duurzaamheidscertificatieschema's waarmee de informatie onder 1° tot en met 10° is aangetoond voor zover van toepassing.
Art. 6. Het biomassarapport heeft een maximale geldigheidsduur van twee jaar vanaf de datum van toekenning als vermeld op het biomassarapport.
HOOFDSTUK III. - Certificatie-instanties
Art. 7. Een certificatie-instantie wordt als erkend beschouwd indien de instantie aan volgende voorwaarden voldoet:
1° rechtspersoonlijkheid bezitten en onafhankelijk zijn, dit wil zeggen geen enkele band hebben met de gecontroleerde biomassamarktpartijen of met de belangen van deze biomassamarktpartijen;
2° geaccrediteerd zijn door BELAC overeenkomstig de norm NBN EN ISO/IEC 17065:2012 ten behoeve van de instellingen die overgaan tot de certificatie van producten, processen en diensten, of gelijkwaardig, met betrekking tot het toepassingsdomein biomassacertificatie overeenkomstig dit besluit;
3° de certificatie-instanties vermeld in artikel 18 verbinden zich ertoe om aan het Vlaams Energieagentschap jaarlijks een verslag over te maken waarin informatie is opgenomen met betrekking tot de functie van de certificatie-instantie binnen het domein biomassacertificatie zoals bedoeld in dit besluit.
Art. 8. § 1. Voor het bepalen van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6.1.16, paragrafen 1/2 tot en met 1/6 van het Energiebesluit van 19 november 2010 wordt een certificatie-instantie als erkend beschouwd indien en voor zover deze werd geaccrediteerd voor certificatie van Europees erkende vrijwillige schema's of indien en voor zover deze hiertoe erkend werd door:
1° de Europese Commissie; of
2° een andere lidstaat van de Europese Unie; of
3° door middel van een bilaterale of multilaterale overeenkomst die de Europese Gemeenschap heeft afgesloten met een derde land.
§ 2. De vrijwillige schema's evenals de door de Europese Unie afgesloten bilaterale of multilaterale overeenkomsten, bedoeld in paragraaf 1, zijn deze waarvoor een besluit van de Europese Commissie is genomen zoals bedoeld in artikel 18, paragrafen 4 tot en met 6, van Richtlijn 2009/28/EG.
HOOFDSTUK IV. - Certificatieschema's
Art. 9. Een certificatieschema wordt als erkend beschouwd indien het schema aan volgende voorwaarden voldoet:
1° het is opgesteld door een certificatie-instantie die geaccrediteerd is door BELAC overeenkomstig de norm NBN EN ISO/IEC 17067:2013 ten behoeve van de instellingen die overgaan tot de certificatie van producten, processen en diensten, of gelijkwaardig, met betrekking tot het toepassingsdomein biomassacertificatie overeenkomstig dit besluit;
2° in de bepalingen van het certificatieschema wordt ten minste tegemoet gekomen aan de bepalingen in de artikelen 10 tot en met 22 en artikel 25 van dit besluit.
Art. 10. § 1. De bepalingen van het certificatieschema beschrijven de organisatie van de rapportering, de doorlichting en de controle van de marktpartijen, en de organisatie, de doorlichting en de controle van het certificatieschema.
§ 2. De rechtspersoon die houder is van het certificatieschema:
1° is verantwoordelijk voor de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en fraudebestendigheid van het certificatieschema;
2° legt een passende standaard vast voor het uitvoeren van onafhankelijke audits van de processen en voor de verificatie van de verschafte informatie, waarbij de richtlijnen van de internationale standaard ISO 19011 in overweging genomen kunnen worden;
3° legt een passend systeem vast ter controle van de bij het certificatieschema aangesloten marktpartijen door een erkende certificatie-instantie waarbij de frequentie en methode van controle duidelijk omschreven is en waarbij verzekerd is dat een marktpartij bij iedere opstelling van een nieuw biomassarapport een volledige certificatieaudit ondergaat en minstens één maal per jaar een controleaudit ondergaat;
4° legt een passend systeem vast voor het doorgeven van de informatie bedoeld in artikel 4 van één marktpartij tot de andere, op elke stap in de productieketen tot aan het eindverbruik en gebaseerd op een massabalans overeenkomstig artikel 6.1.12/1, § 1 van het Energiebesluit van 19 november 2010. Er wordt jaarlijks een massabalans opgesteld door de marktpartij. Bij de beschrijving van biomassastromen wordt steeds op een eenduidige wijze verwezen naar de gebruikelijke benaming overeenkomstig artikel 20;
5° implementeert een doeltreffend systeem van kwaliteitsborging en risicobeheer waarbij de eisen van ISAE 3000 in overweging genomen kunnen worden;
6° voorziet in een procedure voor klachten, bezwaren en beroepen waarbij de tijdige afhandeling hiervan met betrekking tot administratieve beslissingen binnen het systeem of in verband met de interpretatie van de regels die het systeem beschrijven wordt gegarandeerd.
§ 3. De marktpartijen die deelnemen aan het certificatieschema:
1° verbinden zich ertoe voldoende en correcte informatie te verschaffen in het kader van de massabalans, de traceerbaarheid en de vaststelling van de onderzochte biomassakenmerken en afdoende bewijsmateriaal bij te houden gedurende een in het schema vastgelegde periode;
2° aanvaarden de verantwoordelijkheid voor het voorbereiden en aanleveren van informatie met betrekking tot de controles in het kader van dit certificatieschema.
§ 4. De certificatie-instanties die door de marktpartijen belast worden met de controle op de naleving van het certificatieschema:
1° zijn verantwoordelijk voor het verzekeren van de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en fraudebestendigheid van de door de marktpartijen gebruikte systemen;
2° zijn verantwoordelijk voor de controle op de accuraatheid van de aangeleverde gegevens en de vaststelling van de gepaste frequentie en methode van de monsterneming.
§ 5. De rechtspersoon die houder is van het certificatieschema zorgt ervoor dat bewijzen met betrekking tot de punten onder paragraaf 2 tot en met paragraaf 4 beschikbaar zijn.
Art. 11. De bepalingen van het certificatieschema beschrijven het beoordelingskader voor de vaststelling van de biomassakenmerken overeenkomstig bijlage I en II van dit besluit, en voor het opstellen van het biomassarapport overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 20 van dit besluit.
HOOFDSTUK V. - Controle door een erkende certificatie-instantie
Art. 12. § 1. Uit de controles die door een erkende certificatie-instantie worden uitgevoerd, kunnen non-conformiteiten blijken met de bepalingen in het certificatieschema.
Een non-conformiteit wordt als groot aangeduid zodra de bij de marktpartijen verzamelde informatie ertoe leidt dat de waarde vermeld op het biomassarapport geen conservatieve waarde blijkt te zijn.
§ 2. Zodra een grote non-conformiteit wordt vastgesteld door een erkende certificatie-instantie, wordt die door de certificatie-instantie onverwijld gerapporteerd aan de betreffende markpartijen. Zowel de marktpartijen als de certificatie-instantie rapporteren onverwijld de grote non-conformiteit aan het Vlaams Energieagentschap. De erkende certificatie-instantie verschaft aan het Vlaamse Energieagentschap alle noodzakelijke informatie die toelaat om de loten non-conforme biomassa te identificeren.
§ 3. Voor een levering biomassa waarbij een grote non-conformiteit geïdentificeerd is, worden de betreffende biomassakenmerken geacht een waarde te hebben overeenkomstig artikel 26.
§ 4. Een non-conformiteit die niet omschreven is in paragraaf 1 wordt als klein beschouwd. Kleine non-conformiteiten worden jaarlijks door de certificatie-instantie aan het Vlaams Energieagentschap gerapporteerd evenals de eventuele corrigerende maatregelen.
§ 5. Om de criteria zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/7, 1°, 2° en 3° van het Energiebesluit van 19 november 2010 in praktijk af te toetsen, wordt de verificatie van een eenvoudige verklaring, gesteund door GIS-data en de betreffende exploitatievergunningen of beheersplannen, als sluitend aanvaard.
§ 6. Om de criteria zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/7, 4°, 5° en 6° van het Energiebesluit van 19 november 2010 in praktijk af te toetsen, wordt de bevestiging door verificatie ervan als sluitend aanvaard. De nodige vaststellingen daartoe moeten evenwel gebeuren tijdens een onaangekondigd bezoek op initiatief van de certificatie-instantie of het Vlaams Energieagentschap, en aan de hand van foto's worden gestaafd.
HOOFDSTUK VI. - Gedeeltelijke certificatie
Art. 13. § 1. Onder gedeeltelijke certificatie wordt verstaan certificatie van slechts een deel van de te beschouwen productieketen, of certificatie van slechts een deel van de aan te tonen biomassakenmerken.
§ 2. Gedeeltelijke certificatie wordt enkel toegestaan bij het aantonen van de biomassakenmerken zoals bepaald in artikel 6.1.16, paragrafen 1/2 tot en met 1/10 van het Energiebesluit van 19 november 2010 en onder de voorwaarde dat het deel van de keten of de biomassakenmerken die niet onder het ene certificatieschema vallen wel volledig beschouwd zijn onder een ander certificatieschema of aangetoond worden aan de hand van verificatie.
§ 3. De voorwaarden van de massabalans zijn steeds doorheen de volledige productieketen gegarandeerd en alle betrokken certificatieschema's bevatten de nodige bepalingen om uitwisseling van de relevante informatie te verzekeren.
HOOFDSTUK VII. - Groepsaudit
Art. 14. § 1. Groepsaudit is uitsluitend toegestaan voor het aantonen van kenmerken van biomassastromen afkomstig van kleinschalige landbouwers, bosbouwers, producentenorganisaties en coöperaties, voor zover deze een intern controlesysteem hanteren, overeenkomstig de voorwaarden in paragraaf 2 tot en met 5.
§ 2. Groepsaudit wordt uitgevoerd door een erkende certificatie-instantie overeenkomstig de norm ISEAL 2008 - Norm P035 of gelijkwaardig.
§ 3. De biomassakenmerken zoals bepaald in artikel 6.1.16, paragrafen 1/3 tot en met 1/7, en paragrafen 1/9 en 1/10 kunnen uitsluitend via een groepsaudit vastgesteld worden indien de betreffende gebieden zich dicht bij elkaar bevinden en soortgelijke kenmerken vertonen.
§ 4. De biomassakenmerken zoals bepaald in artikel 6.1.16, paragrafen 1/2 en 1/8 kunnen uitsluitend via een groepsaudit vastgesteld worden indien de eenheden dicht bij elkaar liggen binnen eenzelfde NUTS 2-gebied, soortgelijke productiesystemen en dezelfde producten hebben, en indien van toepassing, dezelfde bonus voor hersteld aangetast land alsook dezelfde factor voor de emissiereductie door koolstofopslag in de bodem door een verbeterd landbouwbeheer werden toegepast, zoals bedoel in bijlage XI, deel C, paragrafen 1, 7 en 8 van het Energiebesluit van 19 november 2010.
§ 5. Er wordt jaarlijks en op willekeurige basis een selectie van de deelnemende marktpartijen gecontroleerd door een erkende certificatie-instantie.
HOOFDSTUK VIII. - Methode gebaseerd op regionale risicoschatting
Art. 15. § 1. De methode van regionale risicoschatting is uitsluitend toegestaan voor het bepalen van de biomassakenmerken zoals bepaald in artikel 6.1.16, paragrafen 1/7 tot en met 1/10 van het Energiebesluit van 19 november 2010.
§ 2. De methode van regionale risicoschatting is uitsluitend toegestaan voor een homogene regio waarvan de grenzen duidelijk vastgelegd zijn.
§ 3. Voor het bepalen van een homogene regio wordt hoofdzakelijk rekening gehouden met de uniformiteit van de karakteristieken met betrekking tot de principes voor duurzaam bosbeheer zoals bepaald in artikel 6.1.16, § 1/9 van het Energiebesluit van 19 november 2010.
Art. 16. § 1. Een risicoanalyse wordt uitgevoerd voor de regio zoals bepaald onder artikel 15 gebaseerd op informatie die op lokaal niveau wordt verzameld met betrekking tot die criteria waarvoor een inschatting dient gemaakt te worden.
§ 2. Voor ieder criterium wordt een risico bepaald als "specifiek risico" of "laag risico":
1° De risicoclassificatie is gebaseerd op de mogelijke gevolgen van een non-conformiteit gecombineerd met de graad van waarschijnlijkheid van die non-conformiteit;
2° Het risico neemt toe met de waarschijnlijkheid dat een negatief gevolg van een non-conformiteit plaats vindt, gecombineerd met de waarschijnlijkheid van die non-conformiteit;
3° Een verwaarloosbare waarschijnlijkheid van een non-conformiteit geeft voor dat criterium een laag risico;
4° Een specifiek risico is een ongekend risico of een risico dat niet laag is.
§ 3. Een laag risico wordt onderbouwd door middel van verifieerbare informatie die een combinatie is van:
1° documentverificatie zoals bijvoorbeeld via wetgeving, regeringsstatistieken of beheersplannen; en
2° lokale verificatie door:
a) consultatie van stakeholders en experten uit alle relevante stakeholdercategorieën in de regio; en
b) eigen onderzoek in de regio.
Art. 17. § 1. Indien een criterium als specifiek risico is bepaald, worden er mitigatiemaatregelen gedefinieerd om het risico minstens tot laag risico te reduceren.
§ 2. Indien voor één of meerdere criteria met specifiek risico geen effectieve maatregelen vastgelegd kunnen worden om deze tot een laag risico te reduceren, dan zal de regio worden geherdefinieerd zodat het risico op de productie van een biomassastroom uit een regio die niet voldoet aan de criteria wordt vermeden.
§ 3. Indien voor één of meerdere criteria met specifiek risico ondanks de bepaling in de tweede paragraaf nog steeds geen reductie tot een laag risico mogelijk is, dan voldoet de uit deze regio afkomstige biomassastroom niet aan de eisen met betrekking tot deze criteria.
HOOFDSTUK IX. - Opstelling van het biomassarapport
Art. 18. Het biomassarapport wordt opgesteld door een erkende certificatie-instantie nadat een instantie een succesvolle audit heeft uitgevoerd van de volledige productieketen van een bepaalde biomassastroom volgens de bepalingen van een erkend certificatieschema.
Het biomassarapport geeft een overzicht van alle relevante kenmerken van de biomassastroom.
Art. 19. Het biomassarapport wordt opgesteld volgens het model in bijlage II bij dit besluit. Daarbij zijn minstens volgende bepalingen van toepassing:
1° De unieke referentiecode is gestructureerd als BE-VL-BM-[XXX]-[YYY]-[ZZZ]-[rapportnummer]-[controlegetal] waarbij BE staat voor België, VL staat voor Vlaanderen, BM staat voor biomassa, [XXX] gelijk is aan de unieke 3-lettercode van de certificatie-instantie die het biomassarapport uitgeeft, [YYY] gelijk is aan de unieke 3-lettercode van het certificatieschema dat hiervoor toegepast werd, [ZZZ] gelijk is aan de unieke 3-lettercode van de finale biomassaproducent, een rapportnummer dat er voor zorgt dat de referentiecode van het biomassarapport uniek is en tot slot een controlegetal bestaande uit 2 cijfers;
2° De datum van toekenning is gestructureerd als [dag maand jaar];
3° De informatie met betrekking tot de identiteit van de finale biomassaproducent omvat minstens de bedrijfsnaam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer, het adres en de contactpersoon met naam, voornaam, telefoonnummer en email-adres;
4° De identificatie van de biomassastroom omvat de beschrijvingen van de biomassastroom overeenkomstig artikel 20;
5° De identificatie van de productieketen omvat een opsomming van de verschillende biomassavormen en verwerkingsprocessen in chronologische volgorde bij het doorlopen van de productieketen;
6° Het land van oorsprong is het land waar de biomassastroom geoogst werd of ontstaan is als afval indien dit afval niet afkomstig is van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw of natuurbeheer;
7° De minimale gedekte hoeveelheid van de biomassastroom op jaarbasis wordt uitgedrukt in kilogram geleverde biomassastroom per jaar in de vorm zoals deze geleverd wordt;
8° De voorbehandelingsenergie wordt uitgedrukt in kilowattuur per kilogram geleverde biomassastroom;
9° De transportenergie wordt uitgedrukt in kilowattuur per kilogram geleverde biomassastroom;
10° Het advies van de OVAM inzake energetische valorisatie omvat de woordelijke overname van het formele advies van de OVAM met betrekking tot energetische valorisatie van de betreffende biomassastroom;
11° Indien van toepassing, de groenfactor omvat de woordelijke overname van het formele advies van de OVAM met betrekking tot de groenfactor;
12° De kenmerken met betrekking tot `korteomloophout' en `hout dat geen industriële grondstof is', worden aangeduid met "ja" of "neen";
13° De kenmerken met betrekking tot de criteria zoals bepaald in artikel 6.1.16, paragrafen 1/2 tot en met 1/10 van het Energiebesluit van 19 november 2010 wordt per criterium dat van toepassing is aangegeven of er al dan niet aan voldaan is;
14° Bij de broeikasgasemissiereductiecriteria voor het gebruik van vloeibare, vaste of gasvormige biomassa wordt het reductiepercentage vermeld alsook of actuele data gebruikt werden voor deze berekeningen en indien ja voor welke delen van de productieketen. Indien van toepassing wordt tevens vermeld of de bonus voor hersteld aangetast land gebruikt werd zoals bepaald in bijlage XI, deel C, paragrafen 7 en 8 van het Energiebesluit van 19 november 2010 en of de factor voor emissiereductie door koolstofopslag in de bodem gebruikt werd zoals bedoeld in bijlage XI, deel C, paragraaf 1 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
15° Voor de punten 13 en 14 wordt een opsomming gegeven van alle certificatieschema's waarmee de duurzaamheidskenmerken worden aangetoond gedurende de volledige periode van geldigheid van het biomassarapport;
16° Voor de berekening van broeikasgasemissies van vaste en gasvormige biomassa voor de productie van elektriciteit en warmte wordt de methodologie toegepast, zoals vastgelegd in het EC rapport COM(2010) 11, aangevuld door EC SWD(2014)259, en de fossil fuel comparator van het Europese Joint Research Center.
Art. 20. § 1. De definitie van afvalstof, vermeld in het materialendecreet is van toepassing voor dit besluit.
In geval van twijfel over het afvalstatuut wordt het advies van de OVAM ingewonnen en beslist OVAM over het afvalstatuut.
§ 2. De identificatie van een biomassastroom die geen afval is, bevat minstens de volgende gegevens:
1° De gebruikelijke benaming van de biomassastroom;
2° De commerciële benaming zoals gebruikt in contracten en op facturen en leveringsbons;
3° GN-code of -codes;
4° De morfologie of vorm waarin de inputstroom aan de installatie wordt toegevoegd, zijnde vloeibaar, vast of gasvormig;
5° De stukgrootte indien van toepassing, meer bepaald de minimumafmeting en maximumafmeting van de stukken in de biomassastroom uitgedrukt in cm;
6° De onderste verbrandingswaarde op natte basis uitgedrukt in kilowattuur per kilogram (kWh/kg) en het vochtgehalte uitgedrukt in procent (%).
§ 3. De identificatie van een biomassastroom die afval is, bevat minstens de gegevens die vermeld moeten worden op het afvalstoffenformulier zoals bedoeld in artikel 6.1.2, § 1 van het Energiebesluit van 19 november 2010.
HOOFDSTUK X. - Periodieke beoordeling van een certificatieschema
Art. 21. § 1. Het Vlaams Energieagentschap is verantwoordelijk voor de periodieke beoordeling van erkende certificatieschema's.
§ 2. Als een certificatieschema erkend is, wordt het onderworpen aan een eerste beoordeling na een jaar en vervolgens om de twee jaar zolang de erkenning behouden blijft.
§ 3. Het Vlaams Energieagentschap publiceert een beoordelingsverslag van het certificatieschema.
Art. 22. Ingeval de reglementaire bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van de vorige beoordeling van het certificatieschema belangrijke wijzigingen ondergaan, dan is een nieuwe beoordeling noodzakelijk. Die nieuwe beoordeling heeft in dat geval enkel betrekking op de nieuwe en/of gewijzigde reglementaire bepalingen.
HOOFDSTUK XI. - Certificatieschema beheerd door het Vlaams Energieagentschap
Art. 23. Het Vlaams Energieagentschap beheert een certificatieschema dat voorziet in een vereenvoudigde rapportering overeenkomstig de bepalingen in artikel 25 van dit besluit, die het voor de productie-installaties vermeld in artikel 6.1.12/1, § 3 van het Energiebesluit van 19 november 2010 haalbaar maakt om aan de eisen uit het Energiebesluit van 19 november 2010 te voldoen.
Art. 24. § 1. Een installatie kan slechts gebruik maken van de vereenvoudigde certificatieprocedure indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° Er wordt een overzichtstabel van de inputstromen overgemaakt aan het Vlaams Energieagentschap in een door het Vlaams Energieagentschap bepaald formaat;
2° Deze tabel wordt tijdens de volledige periode dat de installatie certificaatgerechtigd is doorlopend geactualiseerd en jaarlijks aan het Vlaams Energieagentschap overgemaakt;
3° Installaties die vloeibare biomassa rechtstreeks in een verbrandingsproces verbruiken kunnen enkel die loten vloeibare biomassa verbruiken die zijn geregistreerd in de federale gegevensbank biobrandstoffen van de federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu door middel van de volgende website: www.product-declaration.be. Daarbij wordt voor elk lot vloeibare biomassa het unieke referentienummer van registratie in de federale gegevensbank biobrandstoffen samen met het overeenkomstige volume opgetekend in de overzichtstabel inputstromen.
4° Installaties die onder meer zeefoverloop of houtige fractie groenafval afkomstig van Vlaamse composteerinstallaties (biomassaleverancier) inzetten als brandstof dienen voor deze biomassastromen geen biomassarapport op te vragen aan de biomassaleverancier indien deze stromen conform het Actieplan Biomassareststromen (6.2) tot stand kwamen.
§ 2. Het Vlaams Energieagentschap kan op elk moment de door de marktpartijen verschafte informatie controleren en bijkomende informatie opvragen.
HOOFDSTUK XII. - Controle door het Vlaams Energieagentschap
Art. 25. § 1. Het Vlaams Energieagentschap kan een productie-installatie die elektriciteit of warmte opwekt uit een hernieuwbare energiebron op elk moment controleren om na te gaan of de elektriciteit of warmte wel opgewekt wordt uit een hernieuwbare en aanvaardbare energiebron, en of de metingen van de geproduceerde elektriciteit, warmte en andere metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen aanvaardbare groenestroomcertificaten overeenstemmen met de werkelijkheid, overeenkomstig artikel 6.1.4, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010.
§ 2. Bij controle wordt, op eenvoudige vraag van het Vlaams Energieagentschap, al het bewijsmateriaal overgemaakt onder de gevraagde vorm ter staving van:
1° de bepaling van biomassakenmerken;
2° de in het kader van een bepaald groenestroomdossier of dossier voor ondersteuning van groene warmte afgelegde verklaringen;
3° uitgevoerde audits;
4° leveringen van biomassa.
§ 3. Indien het Vlaams Energieagentschap beslist dat de gebruikte biomassa niet voldoet aan de voorwaarden opgenomen in het Energiebesluit of in dit ministerieel besluit, kan de houder van het biomassarapport een gemotiveerd beroep indienen tegen deze beslissing van het Vlaams Energieagentschap, via een aangetekende brief bij de minister bevoegd voor energie.
Art. 26. Wanneer de waarde van een bepaald biomassakenmerk ontbreekt op een biomassarapport of wanneer er een non-conformiteit werd vastgesteld bij de bepaling van een bepaald biomassakenmerk, kan het Vlaams Energieagentschap een conservatieve inschatting maken van dit biomassakenmerk:
1° Voor biomassakenmerken met betrekking tot energieverbruiken wordt de conservatieve inschatting berekend door het Vlaams Energieagentschap via een conservatieve benadering op basis van eigen expertise;
2° Voor biomassakenmerken met betrekking tot de aanvaardbaarheid van afvalstromen en houtstromen houdt de conservatieve inschatting in dat de betreffende biomassastroom geen aanleiding geeft tot aanvaardbare groenestroomcertificaten;
3° Voor biomassakenmerken met betrekking tot de duurzaamheidscriteria houdt de conservatieve inschatting in dat de betreffende biomassastroom niet voldoet aan de duurzaamheidscriteria.
Art. 27. De informatie op het biomassarapport wordt door het Vlaams Energieagentschap beheerd overeenkomstig het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
HOOFDSTUK XIII. - Slot- en overgangsbepalingen
Art. 28. De artikelen 1, 7, 18, 1° en 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft technische wijzigingen van de certificatentoekenning en de invoering van biomassacertificatie, van duurzaamheidscriteria voor vaste en gasvormige biomassa en van ILUC-voorwaarden treden in werking voor alle biomassa gecontracteerd vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, en treden in werking voor alle biomassa gecontracteerd voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit vanaf 1 april 2020.
Art. 29. Artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft diverse bepalingen over energie, treedt in werking.
Art. 30. § 1. Indien na de inwerkingtreding van dit besluit geen biomassarapporten door een groenestroomproducent aan het Vlaams Energieagentschap voorgelegd kunnen worden, wordt voor ieder biomassakenmerk een conservatieve inschatting toegepast.
§ 2. Het Vlaams Energieagentschap aanvaardt tot en met 30 september 2020 dat de biomassakenmerken zoals bedoeld in artikel 5 van dit besluit bepaald worden volgens de procedures die van kracht waren voor de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. Voor alle biomassa gecontracteerd voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit aanvaardt het Vlaams Energieagentschap tot en met 30 september 2020 dat de biomassakenmerken zoals bedoeld in artikel 5, § 4, derde tot en met zesde lid van dit besluit aangetoond worden met behulp van een zelfverklaring waarvan het model door het Vlaams Energieagentschap ter beschikking wordt gesteld;
§ 4. Het vereenvoudigd certificatieschema van het Vlaams Energieagentschap zal zes maanden na publicatie van dit besluit in werking treden. De desbetreffende installaties zullen hiervan tijdig op de hoogte gebracht worden met vermelding van de eventuele acties die door de desbetreffende installaties ondernomen dienen te worden om te voldoen aan de vereisten van dit schema.
Brussel, 5 april 2019.
De Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie,
L. PEETERS



  Nieuwsflash
 
Kraamstalmanagement en pocketvergistingLees meer
 
 
Autocontrolegids gekweekte zalmachtigen op aquacultuurbedrijvenLees meer
 
 
Europees INNO-VEG-project gaat uitdaging aan aardappelteelt duurzaam te intensiverenLees meer
 
 
EU vreest groen licht voor importtarieven Trump Lees meer
 
 
Investeringssteun Vlaams Landbouwinvesteringsfonds Lees meer
 
 
Groen licht voor ruilverkaveling Gooik Lees meer
 
 
Deputatie provincie Antwerpen kent unaniem omgevingsvergunning toe aan slachthuis Sus CampiniaeLees meer
 
 
Droogte-alarm in heel Vlaanderen Lees meer
 
 
Dronken man pikt tractorLees meer
 
 
Captatieverbod ecologisch kwetsbare waterlopen Lees meer
 
 
Droogtecommissie kondigt alarmfase af voor Vlaanderen Lees meer
 
 
Voeding op de Landbouwbeurs van LibramontLees meer
 
 
Maximaal toelaatbare concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater Lees meer
 
 
Bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet (BAM)Lees meer
 
 
Gratis grondwater voor landbouwers in Wevelgem Lees meer
 
 
Nieuwe hittegolf op komst: ramp voor de landbouwLees meer
 
 
Vlas is (terug) in zijn sas Lees meer
 
 
Witwassende aardappel- en uienexporteurs onderzocht Lees meer
 
 
Kerncijfers landbouw 2019: 62% van de banen ging verloren tussen 1980 en 2016Lees meer
 
 
ILVO versterkt contacten met PERULees meer
 
 
Kweek geen mannelijke hopplant Lees meer
 
 
PCA notering vroegeLees meer
 
 
Veerkrachtige landbouwbedrijfsmodellen voor duurzaam landbouw- en voedselsysteem Lees meer
 
 
Strengere regels voor mestvervoer in gebiedstype 2 en 3 vanaf 1 augustus Lees meer
 
 
Gids Autocontrole: Aardappelen, groenten, fruit, verwerkende industrie en handel (G-014)Lees meer
 
 
Plattelandsontwikkelingsprogramma rondt de kaap van 200 miljoen euro Lees meer
 
 
Opgave plantenpaspoortplichtige soorten voor niet-producenten Lees meer
 
 
Alle NEPG-landen vrezen droogte Lees meer
 
 
85ste Foire de Libramont: 26-31 juli 2019Lees meer