Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten
Vorig ArtikelVorig artikel Volgend artikelVolgend Artikel

 14 okt 2020 17:38 

Bodemerosierisico-indicator Vlaanderen (2008-2019)


Vraag om uitleg over het eindrapport 'Bodemerosierisico-indicator Vlaanderen (2008-2019)' van Joris Nachtergaele aan minister Hilde Crevits

De voorzitter

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Nachtergaele heeft het woord.

Joris Nachtergaele (N-VA)

Op dinsdag 25 augustus 2020 werd het eindrapport Bodemerosierisico-indicator Vlaanderen gepubliceerd. Het gaat hierbij om een nieuwe Vlaamse indicator die het risico op bodemverlies door watererosie in kaart brengt. Het eindrapport werd reeds voor de zomer verwacht, maar liep wat vertraging op.

Uit dat rapport blijkt dat de situatie voorzichtig positief te noemen is. Met 38.117 hectare landbouwgrond die een risico op bodemerosie heeft van meer dan 10 ton per hectare per jaar, waarvan 4677 hectare een acuut erosierisico heeft van meer dan 20 ton, ligt het risico om bodemerosie op het laagste peil sinds 2008. Maar toch voegt het rapport eraan toe dat er sinds 2016 geen significante daling van het risico meer werd vastgesteld.

Een van de meest opvallende conclusies uit het rapport is het aandeel van de maïsteelt in de hoogste risicocategorie voor erosie. Maïsteelt vormt immers 57 procent van de oppervlakte van landbouwpercelen waar het risico op erosie meer dan 25 ton per hectare per jaar bedraagt. Nochtans is het volgens het rapport mogelijk om het erosierisico van maïs, ook op zeer erosiegevoelige percelen, te beperken door niet-kerende bodembewerking toe te passen in combinatie met een groenbedekker. Daarnaast bleken ook uien een zeer populaire teelt te zijn in deze hoogste risicocategorie.

In De Standaard stelt Petra Deproost, een van de auteurs van de studie, zeer terecht dat erosiemaatregelen die de vrije teeltkeuze beperken voor de landbouwsector niet door de beugel kunnen. De kleine landbouwbedrijven rekenen op bepaalde teelten om kosten te kunnen drukken op bijvoorbeeld dierenvoeder, waardoor een algemene regel rond verplichte teeltkeuze kan zorgen voor dubbel verlies bij de landbouwer. Daarom lijkt het in de eerste plaats belangrijker om de landbouwer te sensibiliseren rond toekomstig inkomensverlies bij erosie van vruchtbare grond en zo in te spelen op het gezond boerenverstand.

Geograaf Amaury Frankl van de Universiteit Gent zegt dat de oplossing ligt bij de creatie van een bodempaspoort. Ook het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) doet onderzoek op zijn eigen proefvelden. Hiermee zouden de gegevens van de bodemkwaliteit publiek worden en gaan er stemmen op om op basis van de bodemkwaliteit boeren te straffen en te belonen. Naast praktische vragen rond de representativiteit van kleine meetpunten op grote percelen, stel ik me hierbij vragen rond de kostprijs, zowel voor de landbouwer als voor de overheid.

Minister, welke analyse maakt u rond dit eindrapport? Waar zitten volgens u de sterktes en de zwaktes van het huidige erosiebeleid op basis van dit rapport?

Hoe verklaart u concreet het hoge percentage aan maïsteelt en uienteelt in de hoge risicozones voor erosie? Welke concrete beleidsinitiatieven kunnen hier worden genomen om het aantal erosiegevoelige percelen met maïsteelt of uienteelt te doen dalen?

Plant u samen met minister Demir eventueel andere bijsturingen van het algemeen Vlaams erosiebeleid op basis van dit eindrapport? Hoe zullen we ervoor zorgen dat deze bijsturingen steeds gedragen zijn door de landbouwsector zelf met behoud van de vrije teeltkeuze? Zullen we meer moeten inzetten op sensibilisering rond erosie bij de landbouwer?

En ten slotte, hoe staat u tegenover het bodempaspoort? Kunt u meer uitleg geven over de onderzoeken van ILVO rond dit paspoort?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Nachtergaele, ik heb begrepen dat minister Demir vorige week ongeveer dezelfde vraag heeft gekregen in de commissie Leefmilieu. Ik zal proberen ervoor te zorgen dat we elkaar niet tegenspreken.

Op het vlak van erosiebestrijding is Vlaanderen sowieso een van de koplopers in de Europese Unie. Het erosiebeleid wordt opgebouwd uit een aantal pijlers. Voor deelnemers aan areaalgebonden steunmaatregelen binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn er verplichte maatregelen op de zogenaamde paarse en rode percelen, dat zijn de zeer sterk en sterk gevoelige percelen. Daar wordt een stimulerend beleid op gevoerd zoals beheerovereenkomsten voor erosiebestrijding, het stimuleren van de aankoop van erosiebestrijdende machines in het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) en ook de aanleg van dammen. Dat wordt gestimuleerd door steun via niet-productieve investeringen. Verder wordt ingezet op ondersteuning via advies, voorlichting, vorming en onderzoeksprojecten. Minister Demir richt zich met haar beleid op lokale besturen die worden gestimuleerd om erosiecoördinatoren aan te stellen en die krijgen middelen voor infrastructuurwerken, zoals de aanleg van erosiepoelen of dammen. Ook worden er vanuit de provincies een aantal initiatieven genomen.

Wij moeten bij het erosiebeleid met een aantal aspecten rekening houden. Het uitgangspunt is dat niemand zijn eigen percelen beter kent dan de boer zelf. Erosiebestrijding vergt maatwerk, een ‘one size fits all’ werkt niet. Het vanuit het beleid centraal opleggen van individuele teeltverboden is ook niet oké. Daarom bieden we de landbouwers een zekere vrijheid om een keuze te maken uit verschillende maatregelen. Die zijn vandaag ingedeeld in een aantal pakketten, waardoor zij hun expertise kunnen inzetten en maximaal kunnen inspelen op een aantal omstandigheden. Elk van de keuzeopties heeft zijn eigen erosiebeperkend effect.

Een sterkte van het beleid is dat er net door de keuzemogelijkheid die de landbouwer krijgt, ook meer geëxperimenteerd wordt met erosiebestrijdende technieken zoals ploegloze bodembewerking of directe inzaai. We zien dat meer landbouwers deze technieken toepassen om te voldoen aan de verplichtingen.

In vergelijking met andere lidstaten staan we al heel ver. Er is altijd nog een verbetermarge, maar ik pleit ook voor realisme.

Als je voedsel wilt produceren, is het onvermijdelijk dat er elk jaar periodes zijn dat een deel van de bodem bloot ligt, vooral rond de inzaai, kieming en net na de oogst. Een nulrisico op erosie zal sowieso nooit bestaan.

Op 75 percent van de meest erosiegevoelige landbouwpercelen staat een jaarrondteelt, meestal gras, wat geen erosiegevoelige teelt is. Op 2 percent staan meerjarige teelten zoals fruit, op 9 percent winterteelten en op 14 percent zomerteelten.

Maïs is zo’n zomerteelt. Voor veel bedrijven is het een vitaal gewas, hetzij als ruwvoer voor de eigen dieren, hetzij als afwisselvrucht. Het is ook een van de weinige teelten die in alle Vlaamse streken geteeld kan worden en waarvoor voldoende loonwerkers aanwezig zijn met geschikte machines. In erosiegevoelige streken, zoals de Vlaamse Ardennen, zijn er heel wat bedrijven die naast akkerbouw ook een rundveetak hebben en dus nood hebben aan maïs als ruwvoer.

Omdat daar ook erosiegevoeligheid is, passen de boeren daar aangepaste teelttechnieken toe.

Bij uien is de situatie anders. Akkerbouwers zijn in het laatste decennium op zoek gegaan naar teelten die meer rendabel zijn dan klassieke akkerteelten. Veel akkerteelten kennen al jaren een dalende rendabiliteit. Akkerbouw wordt grotendeels uitgevoerd in de leem- en zandleemstreek, en dat zijn net ook de gebieden waar een hoog percentage erosiegevoelige percelen voorkomt. Terwijl maïs onmisbaar is voor rundveebedrijven, kan in geval van uien wel soms uitgekeken worden naar andere minder erosiegevoelige teelten die potentieel even interessant zijn voor de akkerbouwer. Denk aan de toenemende interesse voor de lokale teelt van eiwithoudende peulvruchten zoals bonen, erwten, en soja. Het samenspel van vraag en aanbod en de verwachte prijsvorming bepaalt het teeltplan van een akkerbouwer.

Dan uw derde vraag. Wat de toekomst betreft is de Europese Unie momenteel bezig met de hervorming van het landbouwbeleid richting 2023. Ik verwacht dat erosiebestrijdingsmaatregelen daar opnieuw deel van zullen uitmaken. Ik had dit liever vandaag al geweten, maar het besluitvormingsproces is met twee jaar uitgesteld. In elk geval zal er daarnaast ook blijvende sensibilisering nodig zijn over het belang van een goede bodemkwaliteit.

Uw vierde vraag ging over het bodempaspoort. Het idee van zo’n paspoort werd in 2018 door ILVO naar voren gebracht. Het is een webgebaseerde tool, die in ontwikkeling is en waar landbouwers beschikbare en nu vaak versnipperde bodeminformatie van hun percelen gemakkelijk kunnen raadplegen. Het gaat over publiek beschikbare data zoals de erosiegevoeligheidsklasse, maar ook private data zoals de evolutie in het koolstofgehalte. Op termijn hopen we daar ook adviestools aan te koppelen. Op deze manier moeten landbouwers sneller inzicht krijgen in de bodemkwaliteit en de evolutie hierin. Het laat adviseurs ook toe om betere adviezen te geven.

In parallel onderzoekt ILVO hoe een aantal databronnen gekoppeld kunnen worden om aan slimmer bodembeheer te doen. Deze kennis kan dan op termijn ook geïncorporeerd worden in het bodempaspoort Vlaanderen.

De voorzitter

De heer Nachtergaele heeft het woord.

Joris Nachtergaele (N-VA)

Dank u wel voor uw uitgebreid antwoord, minister. Ik ben blij dat u bevestigt dat die vrije teeltkeuze cruciaal is voor de landbouwer, zeker in verband met voeder op veebedrijven. Ik denk ook dat de oplossing ligt in meer sensibilisering en het uitwisselen van best practices. Maar we moeten toch goed nadenken over hoe we dat aanpakken. Enerzijds hebben we het beleid waarbij we werken met erosiecoördinatoren. Als burgemeester word ik daar ook vaak mee geconfronteerd. De vrijwilligheid daar leidt ook niet altijd tot de gewenste resultaten.

Ik heb nog twee bijkomende vragen. U had het over het paspoort. Zullen daar bijkomende overheidsmiddelen worden voor voorzien? Hoe zal dat concreet worden uitgerold? U zegt dat de gegevens publiek beschikbaar zullen zijn. Gaat dat echt publiek zijn of wordt dat voor de overheid beschikbaar?

Het erosiebeleid zou aan evaluatie toe zijn in het najaar. Het regeerakkoord heeft daar een link gelegd naar het integraal waterbeleid, naar de impact op onze waterlopen. Kunt u daar al een timing op zetten of iets meer over vertellen, wanneer we daarrond iets mogen verwachten?

De voorzitter

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Emmily Talpe (Open Vld)

Ik wou even aansluiten over de alternatieven waarover de minister het had, en in het bijzonder over de alternatieve eiwitrijke gewassen. We weten allemaal dat we voor onze dierenvoeding echt actief op zoek moeten naar die alternatieven voor maïs. Ik denk aan onze eigen Vlaamse soja, maar ook aan de keuze voor peulvruchten, die de minister ook aanhaalde. ILVO, Enagro, Hogeschool Gent en UGent zijn al enige tijd sterk bezig met de ontwikkeling van lokale eiwitrijke teelten in Vlaanderen, om zo tot meer eiwitvariatie en een afbouw te komen van de import van buitenlandse soja.

Minister, ik wou even vragen of u eiwitrijke alternatieven en eventuele stimuli daarvoor voorziet, zodanig dat we boeren kunnen overtuigen, los van de belangrijke teeltvrijheid, om eventueel te kiezen voor die alternatieven voor maïs. Zo maken we Vlaanderen biodiverser en doet ook het erosiebeleid er een goede zaak aan.

Bart Dochy (CD&V)

Ik wil dit er nog aan toevoegen: we moeten opletten dat we geen alternatieven zoeken in zaken die geen alternatief zijn. Maïs is in eerste instantie een energie-aanbrenger. De VEM-waarde (voedereenheid melk) is daarbij belangrijk. Soja is een eiwitaanbrenger. Soja is dus geen alternatief voor maïs. Uiteindelijk is het wel belangrijk, zoals de collega’s al benadrukten, dat er een draagvlak is voor het erosiebeleid bij landbouwers en dat die keuzevrijheid qua teelt mogelijk blijft, in functie van het bedrijfsmodel. Dat betekent niet dat maatregelen niet noodzakelijk zijn, zowel in het Ieperse als in het zuiden van Oost-Vlaanderen. Die twee gebieden zijn zeer gevoelig voor erosie.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik vind dit een zeer interessante problematiek. Wat collega Talpe aanhaalt, interesseert mij in zeer hoge mate. Ik wil eerst ingaan op die best practices. Collega Nachtergaele, ik heb al gemerkt dat boeren veel sneller geneigd zijn om iets nieuws te doen als ze met eigen ogen zien dat het werkt bij iemand anders. Ik vind het heel belangrijk dat onze boeren de kans krijgen om te veranderen, want anders blijven ze zitten in wat al generaties lang gedaan wordt, en dat is geen optie voor de toekomst. Daarom werken we met demovelden en ook met een erosiecafé – een schitterend nieuw woord – om van gedachten te wisselen. Dat is de beste reclame: mond-aan-mond reclame en zien dat iets werkt. Dan doet men het zelf ook. Bovendien is er ook een evaluatiegroep van experten die zich hierover buigt. We gaan die aanbevelingen meenemen naar het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van 2023. Dat gebeurt dus sowieso.

Wat de bijkomende middelen betreft: het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) ontwikkelt op dit ogenblik dat bodempaspoort binnen de eigen kredieten. De timing voor de uitrol ligt nog niet vast en hangt af van de resultaten van het lopende onderzoek. Het zou zeker goed zijn om die tool te kunnen opnemen in het nieuwe GLB, dat zoals gezegd start in 2023.

Collega Talpe, ik volg uiteraard mijn voorzitter – ik zou niets anders durven – dat soja geen alternatief is voor maïs, omdat het ene energie levert en het andere eiwit. Dieren hebben, net als mensen, beide nodig, naast vet – geloof het of geloof het niet – als derde bouwsteen. Collega Talpe, ik ben om een andere reden wel geïnteresseerd in wat u zei. We zijn namelijk met ILVO volop aan het investeren in eiwitdiversificatie en in de ontwikkeling van alternatieve eiwitbronnen. Ik heb het al gezegd. We zien dat iets als quinoa op nummer 1 staat als groeiproduct en veel interesse wekt bij de bevolking. We moeten dat uit andere werelddelen halen. Waarom zouden we niet massaal investeren in onderzoek om dat ook hier te kunnen telen? Dat is natuurlijk geen antwoord op de erosievraag. Ik ben wel heel geïnteresseerd in die diversificatie. In het kader van de relance is het ook mijn bedoeling om daar extra in te investeren, of om dit een duw te geven om onze boeren extra opportuniteiten te geven. Ik weet dat dit geen antwoord is op het alternatief voor maïs, u moet die antwoorden apart van elkaar bekijken.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.



  Nieuwsflash
 
Subsidies voor landschapsbeheer door landbouwers Lees meer
 
 
Vautmans stemt vr nieuw GLB Lees meer
 
 
Statistisch overzicht Belgi pre-CoronaLees meer
 
 
Ongevallen met landbouwvoertuigen Lees meer
 
 
Jachtrecht Lees meer
 
 
Diepvriesfriet - Handelsbelemmeringen Lees meer
 
 
Compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet (BAM)Lees meer
 
 
Klimaatfonds negeert maatschappelijke baten van koolstofvastlegging in landbouwbodems Lees meer
 
 
Provincie investeert in innovatief realtime meetsysteem voor waterstandenLees meer
 
 
De klimaatvooruitzichten voor 2100: extreme stormen, overstromingen, hittegolven en droogteLees meer
 
 
Plannen Colruyt om landbouwgrond te verwervenLees meer
 
 
Stimuleren van de biodiversiteit in de landbouw Lees meer
 
 
Verscherpte coronamaatregelen voor seizoenarbeiders Lees meer
 
 
Lage melkprijs bij Milcobel Lees meer
 
 
Gevolgen voor de Vlaamse varkenshouderij van de vaststelling van Afrikaanse varkenspest in DuitslandLees meer