Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten

 12 apr 2019 07:53 

Decreet tijdelijke maatregelen als het VK zich zonder akkoord uit de Europa terugtrekt


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:
Decreet houdende tijdelijke maatregelen als het Verenigd Koninkrijk zich zonder akkoord uit de Europese Unie terugtrekt

Decreet houdende tijdelijke maatregelen als het Verenigd Koninkrijk zich zonder akkoord uit de Europese Unie terugtrekt
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
HOOFDSTUK 2. - Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 2. Voor de toepassing van de regelgeving over belastingen die voor of door het Vlaamse Gewest worden geïnd, wordt het Verenigd Koninkrijk tot en met het aanslagjaar 2020 geacht deel uit te maken van de Europese Unie.
HOOFDSTUK 3. - Integratie- en inburgeringsbeleid
Art. 3. Aan artikel 27, § 2, eerste lid, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° personen met de Britse nationaliteit en hun familieleden. Voor de toepassing van dit punt wordt onder familieleden verstaan:
a) de echtgenoot;
b) de partner met wie de persoon met de Britse nationaliteit overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de EU als vermeld in punt 2°, a), een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de Belgische wetgeving geregistreerd partnerschap gelijkstelt met een huwelijk en aan de voorwaarden van de Belgische wetgeving voldaan is;
c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsook die van de echtgenoot of partner, vermeld in punt b), die jonger dan 21 jaar zijn of die ze ten laste hebben;
d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn alsook die van de echtgenoot of partner, vermeld in punt b), die ze ten laste hebben.".
HOOFDSTUK 4. - Economische migratie
Art. 4. Met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 februari 2003 tot vrijstelling van bepaalde categorieën van vreemdelingen van de verplichting houder te zijn van een beroepskaart voor de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit worden onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die zich na de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord als vermeld in artikel 50, lid 2, van het verdrag is gesloten, op het Vlaamse grondgebied begeven met het oog op de uitoefening van een zelfstandige activiteit, vrijgesteld van beroepskaart, voor zover hun prestaties op het grondgebied van het Vlaamse Gewest beperkt zijn tot maximaal negentig dagen.
Met toepassing van artikel 6 en 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers worden onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die zich na de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord als vermeld in artikel 50, lid 2, van het verdrag is gesloten, op het Vlaamse grondgebied begeven als werknemer, van rechtswege toegelaten tot arbeid, voor zover hun prestaties op het grondgebied van het Vlaamse Gewest beperkt zijn tot maximaal negentig dagen.
HOOFDSTUK 5. - Sociale zaken
Afdeling 1. - Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
Art. 5. Deze afdeling is van toepassing op de personen, vermeld in artikel 2 van de verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en artikel 1 van de verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen, rekening houdend met het feit dat voor de toepassing van deze afdeling het Verenigd Koninkrijk met een lidstaat van de Europese Unie wordt gelijkgesteld.
Art. 6. Deze afdeling is van toepassing op de volgende regelingen:
1° de bijstand, verleend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ter uitvoering van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° de gezinsbijslagen, vermeld in het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
Art. 7. Onverminderd het recht van de Europese Unie, en rekening houdend met artikel 9 van dit decreet, blijven de regelingen, vermeld in artikel 6, van toepassing overeenkomstig de bepalingen van de volgende verordeningen betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de Europese Unie:
1° verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;
2° verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;
3° verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen;
4° verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
5° verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
Art. 8. Voor de toepassing op de regelgeving, vermeld in artikel 6, van de verordeningen betreffende de socialezekerheidsstelsels van de Europese Unie, vermeld in artikel 7, wordt het Verenigd Koninkrijk gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 9. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de bevoegde instanties:
1° het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, opgericht bij het decreet van 7 juli 2017;
3° de private uitbetalingsactoren die vergund zijn met het oog op de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in het decreet van 7 juli 2017.
Als een bevoegde instantie voor de toepassing van deze afdeling de volledige of gedeeltelijke medewerking van een Britse instantie vereist, onder andere voor de uitwisseling van informatie, neemt de bevoegde instantie alle redelijke maatregelen om de bijstand van die instantie te verkrijgen of om de nodige informatie te verkrijgen.
Als de bevoegde instantie vaststelt dat het onmogelijk is om de nodige medewerking te verkrijgen, brengt ze de bijslagtrekkende of begunstigden daarvan onmiddellijk op de hoogte en verzoekt ze hem de relevante informatie of relevante elementen waarover hij beschikt, te verstrekken op de door de bevoegde instantie vermelde wijze en binnen de opgelegde termijnen.
Een bevoegde instantie is niet verplicht om artikel 7 toe te passen als ze, nadat ze aan de verplichtingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, heeft voldaan, niet in staat is de medewerking of de informatie te verkrijgen die nodig is voor de uitvoering ervan. Hetzelfde geldt ingeval de bijslagtrekkende of begunstigden niet binnen een redelijke termijn de nodige informatie verstrekken of onvolledige informatie verstrekken.
Afdeling 2. - Startbedragen, selectieve participatietoeslagen en andere toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Art. 10. Deze afdeling is van toepassing op de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in boek 2, deel 1, titel 2, deel 2 en deel 3, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
Art. 11. Onverminderd het recht van de Europese Unie en rekening houdend met artikel 13, blijven de regelingen, vermeld in artikel 10, van toepassing overeenkomstig de bepalingen van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
Art. 12. Voor de toepassing van de verordening, vermeld in artikel 11, op de regelgeving, vermeld in artikel 10, wordt het Verenigd Koninkrijk gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 13. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de bevoegde instantie:
1° het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, opgericht bij het decreet van 7 juli 2017;
3° de private uitbetalingsactoren, vergund met het oog op de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in het decreet van 7 juli 2017.
Als een bevoegde instantie voor de toepassing van deze afdeling de volledige of gedeeltelijke medewerking van een Britse instantie vereist, onder andere voor de uitwisseling van informatie, neemt de bevoegde instantie alle redelijke maatregelen om de bijstand van die instantie te verkrijgen of om de nodige informatie te verkrijgen.
Als de bevoegde instantie vaststelt dat het onmogelijk is om de nodige medewerking te verkrijgen, brengt ze de bijslagtrekkende of begunstigden daarvan onmiddellijk op de hoogte en verzoekt ze hem de relevante informatie of relevante elementen waarover hij beschikt, te verstrekken op de door de bevoegde instantie vermelde wijze en binnen de opgelegde termijnen.
Een bevoegde instantie is niet verplicht om artikel 11 toe te passen als ze, nadat ze aan de verplichtingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, heeft voldaan, niet in staat is de medewerking of de informatie te verkrijgen die nodig is voor de uitvoering ervan. Hetzelfde geldt ingeval de bijslagtrekkende of begunstigden niet binnen een redelijke termijn de nodige informatie verstrekken of onvolledige informatie verstrekken.
Afdeling 3. - Vlaamse sociale bescherming
Art. 14. In artikel 3, § 1, derde en vierde lid, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming worden de woorden "die partij is bij de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland" telkens vervangen door de zinsnede "die partij is bij de Europese Economische Ruimte, van Zwitserland of van het Verenigd Koninkrijk".
Art. 15. In artikel 40 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "in IJsland, in Liechtenstein, in Noorwegen en in Zwitserland" vervangen door de zinsnede "in IJsland, in Liechtenstein, in Noorwegen, in Zwitserland en in het Verenigd Koninkrijk".
Art. 16. In artikel 41, § 1, 2°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "in de krachtens verordening (EG) nr. 883/2004 gelijkgestelde staten IJsland, Liechtenstein, Noorwegen of Zwitserland" vervangen door de zinsnede "in IJsland, in Liechtenstein, in Noorwegen, in Zwitserland en in het Verenigd Koningrijk".
Art. 17. In artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, tweede en derde lid, in artikel 103, § 2, en in artikel 121, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland" telkens vervangen door de zinsnede "de Europese Economische Ruimte, in Zwitserland of in het Verenigd Koninkrijk".
HOOFDSTUK 6. - Onderwijs
Afdeling 1. - Studietoelagen, studiegeld en financiering hoger onderwijs
Art. 18. Aan artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 16 juni 2017 en 15 juni 2018, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Voor de toepassing van dit artikel worden onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die ingeschreven zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds secundair onderwijs of aan een hogeronderwijsinstelling, op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de Unie verlaat, tot en met het academiejaar 2020-2021 gelijkgesteld met onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie.".
Art. 19. Aan artikel II.215 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 16 juni 2017 en 15 juni 2018, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de toepassing van dit artikel worden onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de Unie verlaat, zijn ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds secundair onderwijs of aan een hogeronderwijsinstelling, tot en met het academiejaar 2020-2021 gelijkgesteld met onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie.".
Art. 20. In artikel III.3, § 1, 2°, van dezelfde codex wordt aan punt a een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "Voor de toepassing van dit artikel worden onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de Unie verlaat, ingeschreven zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds secundair onderwijs of aan een hogeronderwijsinstelling, gelijkgesteld met onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie tot en met het academiejaar 2020-2021;".
Afdeling 2. - Onderwijspersoneel
Art. 21. Voor de toepassing van artikel 17, § 1, 1°, en artikel 86, 1°, a), van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 22. Voor de toepassing van artikel 60, 1°, a), van hetzelfde decreet wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 23. Voor de toepassing van artikel 13, § 1, 1°, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 24. Voor de toepassing van artikel 73, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 27 februari 1997 wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld is, tot de proeftijd toegelaten is of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 25. Voor de toepassing van artikel 88, § 1, 1°, a), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 26. Voor de toepassing van artikel 106, § 1, 1°, a), van hetzelfde decreet wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld is, tot de proeftijd toegelaten is of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 27. Voor de toepassing van artikel 49, § 4, 1°, en artikel 149, § 1, 1°, a), van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 28. Voor de toepassing van artikel 18, § 1, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld is, tot de proeftijd toegelaten is of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 29. Voor de toepassing van artikel IV.20, § 1, 1°, en van artikel V.45, 1°, van het decreet van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld is, tot de proeftijd toegelaten is of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 30. Voor de toepassing van artikel 66, 1°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld is, tot de proeftijd toegelaten is of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 31. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, a), van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld is, tot de proeftijd toegelaten is of vast benoemd is, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 32. Voor de toepassing van artikel V.110, § 1, eerste lid, 8°, van de Codex Hoger Onderwijs, gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet aangesteld is aan een hogeschool, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
Art. 33. Voor de toepassing van artikel V.111, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet benoemd is aan een hogeschool, gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
HOOFDSTUK 7. - Lokale besturen
Art. 34. Een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet statutair is aangesteld of statutair op proef is aangesteld in een bestuur dat onder het toepassingsgebied valt van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur of het Provinciedecreet van 9 december 2005, wordt gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.
HOOFDSTUK 8. - Delegatie aan de Vlaamse Regering
Art. 35. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om voor elke bepaling van dit decreet de datum van buitenwerkingtreding aan te passen.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de werkingssfeer van elke bepaling van dit decreet aan te passen als dat noodzakelijk is om de wederkerigheid van de maatregelen te garanderen of om de belangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest te vrijwaren.
De besluiten die de Vlaamse Regering neemt met toepassing van het tweede lid, houden op uitwerking te hebben als ze niet binnen zes maanden na hun goedkeuring bekrachtigd worden bij decreet.
De besluiten die de Vlaamse Regering neemt met toepassing van het eerste of tweede lid, en die betrekking hebben op artikel 2, worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad als ze niet binnen zes maanden na hun goedkeuring bekrachtigd worden bij decreet.
HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding
Art. 36. Dit decreet treedt in werking op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de Unie verlaat zonder dat een akkoord als vermeld in artikel 50, lid 2, van het verdrag, is gesloten.
Dit decreet treedt buiten werking op 31 december 2020, met uitzondering van artikel 2, dat buiten werking treedt vanaf het aanslagjaar 2021, en van artikel 18 tot en met 20, die buiten werking treden vanaf het academiejaar 2021-2022.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 22 maart 2019.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed,
G. BOURGEOIS
_______
Nota
(1) Zitting 2018-2019.
Documenten.
- Voorstel van decreet, 1911 - Nr. 1.
- Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 1911 - Nr. 2.
Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 13 maart 2019.



  Nieuwsflash
 
Poetin verlengt Russische sancties tegen westerse landen tot eind 2020 Lees meer
 
 
Bescherm dieren tegen de hitteLees meer
 
 
Afrikaanse varkenspest (AVP)Lees meer
 
 
Kwaliteitsverschillen in levensmiddelenLees meer
 
 
Onderzoek tot erkenning als ramp voor overvloedige regenval juni 2019Lees meer
 
 
PV voor milieuschending steeds vaker bestuurlijk beboet Lees meer