Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten
Vorig ArtikelVorig artikel Volgend artikelVolgend Artikel

 17 feb 2017 08:39 

Wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu


Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu

Algemene toelichting
Met dit ontwerpbesluit worden titel II van het VLAREM en de bijlagen, het VLAREL en Milieuhandhavingsbesluit gewijzigd.
De wijzigingen situeren zich op drie vlakken. Ten eerste worden in artikel 1.1.2 en afdeling 2.2.4. van titel II van het VLAREM en de bijlagen de terminologie in overeenstemming gebracht met de terminologie in de Europese richtlijn 2002/49/EG inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. De voorgestelde wijzigingen hebben betrekking op de invoering van het begrip "drempelwaarden" ter vervanging van het begrip "milieukwaliteitsnormen", op de aanpassing van het toepassingsbereik voor de beleidstaken voor wat betreft de belangrijke luchthavens, op de vervanging van de term "geluidsactieprogramma's" door de term "geluidsactieplan" en de herdefiniëring ervan, en op de toepassing van de beleidstaken inzake geluidsplanning zoals dit is bedoeld in de EU-richtlijn 2002/49/EG.
Ten tweede wordt in de bijlagen van VLAREM II de Europese richtlijn 2015/1480 tot wijziging van diverse bijlagen bij de Richtlijnen 2004/107/EG en 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels betreffende de referentiemethoden, de validatie van gegevens en de locatie van de bemonsteringspunten voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, omgezet. Deze richtlijn moet uiterlijk op 31 december 2016 omgezet zijn.
Ten derde worden wijzigingen aangebracht aan VLAREM II, VLAREL en het Milieuhandhavingsbesluit met het oog op de invoering van een erkenningsverplichting voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten en die een risico vormen op emissies van gefluoreerde broeikasgassen. De erkenningsverplichting is een uitvoering van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat. In uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 is opgenomen dat de erkenningsverplichting vanaf 1 juli 2017 geldt. Er wordt geen nieuwe erkenning van technicus ingevoerd. De erkende koeltechnicus die momenteel erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitvoert, zal ook de erkenningsplichtige werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens met gefluoreerde broeikasgassen mogen uitvoeren conform uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067.
Artikelsgewijze bespreking
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen verdere uitleg.
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM
Artikel 2
Artikel 2 beoogt de nodige wijzigingen aan te brengen aan de definities vermeld in artikel 1.1.2 van VLAREM II.
Punt 1° : de definities in VLAREM II worden in overeenstemming gebracht met de definities uit richtlijn 2002/49/EG. De definitie van "belangrijke luchthaven" wordt aangepast, de term "milieukwaliteitsnormen" wordt geschrapt en vervangen door de term "drempelwaarde" en de term "geluidsactieprogramma's" wordt vervangen door de term "geluidsactieplan". De definitie van het begrip "geluidsactieplan" wordt in overeenstemming gebracht met de definitie uit EU-richtlijn 2002/49/EG.
De definitie van "belangrijke luchthaven" wordt aangepast teneinde het toepassingsbereik te beperken tot het strikt noodzakelijke overeenkomstig de richtlijn. Hiertoe wordt de definitie uit EU-richtlijn 2002/49/EG overgenomen in VLAREM II. Als definitie voor "licht vliegtuig" wordt dynamisch verwezen naar de definitie die de internationale Burgerluchtvaartorganisatie ICAO hiervoor hanteert. In het Vlaamse Gewest voldoet enkel de luchthaven Brussel-Nationaal aan de definitie van `belangrijke luchthaven' in de zin van EU-richtlijn 2002/49/EG (50.000 vliegbewegingen op jaarbasis, uitgezonderd oefenvluchten met lichte vliegtuigen). VLAREM voorziet evenwel een toepassingsbereik voor belangrijke luchthavens dat uitgebreider is dan strikt nodig volgens de richtlijn. Het toepassingsbereik werd bij de omzetting in 2005 immers uitgebreid naar alle luchthavens in het Vlaamse Gewest die op basis van de indelingslijst van rubriek 57.1 van VLAREM I ingedeeld zijn als `klasse 1' inrichting. Hierdoor zijn ook een aantal regionale luchthavens gevat door de bepalingen van afdeling 2.2.4. Dit heeft tot gevolg dat ook voor de luchthavens van Antwerpen, Oostende-Brugge en Kortrijk-Wevelgem een aantal beleidstaken moeten uitgevoerd worden die volgens de richtlijn enkel nodig zijn voor de luchthaven Brussel-Nationaal.
Deze wijziging is ook vanuit milieuoogpunt te verantwoorden en zal niet leiden tot een toename van de geluidshinder, tot een verminderde informatieverspreiding over de geluidshinder of tot een toename van de blootstelling van de omwonenden door geluidshinder. De op deze luchthavens van toepassing zijnde voorwaarden van hoofdstuk 5.57 "Vliegvelden" van VLAREM II en de bijzondere uitbatingsvoorwaarden van deze luchthavens bevatten immers voldoende bepalingen die equivalent zijn aan de bepalingen van deel 2 van VLAREM II. Hoofdstuk 5.57 voorziet immers de verplichting tot het berekenen van geluidscontouren en de mogelijkheid tot het opleggen van geluidsbeperkende maatregelen. In dat kader hebben de regionale luchthavens op grond van de in hun milieuvergunning opgenomen bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden reeds algemene milieuactieplannen opgesteld met bijzondere aandacht voor de beheersing van het omgevingsgeluid en overlegcommissies geïnstalleerd met vertegenwoordigers van lokale overheden en omwonenden. De regionale luchthavens moeten ook op grond van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden in de overlegcommissie rapporteren over de voortgang van het betreffende milieuactieplan. Hiermee zijn voldoende garanties ingebouwd opdat deze wijziging vanuit milieuoogpunt niet zou resulteren in een achteruitgang. De voorgestelde wijziging behelst dus het schrappen van een dubbele en overbodige bepaling in de VLAREM-wetgeving, die bovendien onnodige administratieve lasten met zich meebrengt.
De definitie van milieukwaliteitsnormen wordt geschrapt en vervangen door het nieuwe begrip "drempelwaarde". De hier geïntroduceerde definitie voor drempelwaarde is equivalent aan de definitie van "grenswaarde" uit de EU-richtlijn 2002/49/EG. In navolgende artikelen 10, 11 en 12 wordt eenzelfde vervanging voorgesteld. Er wordt gekozen voor het begrip "drempelwaarde" omdat het begrip "grenswaarde", zoals gedefinieerd in het DABM, niet verzoenbaar blijkt met de aanpak op basis van de prioriteiten zoals voorzien in de richtlijn. De term "drempelwaarde", zijnde een waarde waarbij in geval van overschrijding de bevoegde instanties beperkingsmaatregelen in overweging nemen of opleggen, is inhoudelijk beter geschikt voor de uitwerking van concrete maatregelen in het kader van een actieplan zoals bedoeld in de EU-richtlijn 2002/49/EG.
Punt 2° wijzigt de subtitel "Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen" naar aanleiding van de opname in afdeling 4.4.8 en hoofdstuk 6.8 van titel II van het VLAREM van de erkenningsverplichting voor een koeltechnicus die bepaalde werkzaamheden uitvoert aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten. De erkenningsverplichting is een uitvoering van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
Punt 3° voert een definitie in van koelwagen en koelaanhangwagen naar aanleiding van de erkenningsverplichting voor een koeltechnicus die bepaalde werkzaamheden uitvoert aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens met gefluoreerde broeikasgassen die met het voorliggend besluit in titel II van het VLAREM opgenomen wordt. Deze definities zijn afgestemd met verordening (EU) nr. 517/2014.
Artikel 3
Met de toevoeging via artikel 3 van de woorden "en beleidstaken ter zake" in artikel 2.2.0.1 van VLAREM II wordt aangegeven dat de wet op de geluidshinder niet enkel een rechtsgrond biedt voor de introductie van milieukwaliteitsnormen voor geluid, maar ook voor de via dit wijzigingsbesluit geïntroduceerde drempelwaarden.
Artikel 4
Afdeling 2.2.3 wordt opgeheven om redenen van vereenvoudiging. De opheffing van afdeling 2.2.3 heeft geen verdere implicaties. Immers, artikel 2.2.1 van het DABM heeft de Vlaamse Regering sowieso gemachtigd om (al dan niet bijzondere) milieukwaliteitsnormen vast te stellen. De schrapping van deze afdeling doet daar geen afbreuk aan.
Artikel 5
In artikel 5 en ook in artikelen 6, 9 en 10 wordt de combinatie "geluidsplanning en geluidsactieprogramma's" vervangen door de term "geluidsactieplan". Hiermee aligneert men zich met de terminologie van EU-richtlijn 2002/49/EG.
Geluidsplanning is het equivalente begrip in VLAREM voor `akoestische planning' in de richtlijn. Het begrip `akoestische planning' wordt in de richtlijn gedefinieerd als de "beheersing van toekomstige geluidshinder door geplande maatregelen, zoals ruimtelijke ordening, ontwikkeling van verkeerssystemen, verkeersplanning, vermindering van geluidshinder door isolatiemaatregelen en lawaaibeheersing aan de bron".
In de richtlijn wordt het begrip `akoestische planning' slechts in de marge aangehaald als een toepassing (vb. van intern recht) waarvoor lidstaten andere geluidsbelastingsindicatoren dan de voorgeschreven EU-indicatoren in overweging kunnen nemen. In het kader van de omzetting kreeg de geluidsplanning een centralere positie, evenwaardig en op hetzelfde niveau van geluidsactieprogramma's.
Het begrip `geluidsactieprogramma's' in VLAREM II is equivalent aan het begrip `actieplannen' in de richtlijn. In de uitvoering van de richtlijn op Vlaams niveau wordt echter niet gesproken over `geluidsactieprogramma's' maar nog steeds over `actieplannen' (terminologie van de richtlijn). Ook onder hoofdstuk 2.5. `Milieukwaliteitsnormen voor lucht en beleidstaken ter zake' van VLAREM II is trouwens meer prominent sprake van (actie)plannen eerder dan van programma's.
Om deze redenen is het aangewezen en verduidelijkend de begrippen "geluidsplanning en geluidsactieprogramma's" te vervangen door het begrip "geluidsactieplan".
Artikel 6
Door middel van artikel 6 wordt punt 4° van artikel 2.2.4.2.1 gewijzigd, teneinde de bepaling in overeenstemming te brengen met de doelstellingen en definities van EU-richtlijn 2002/49/EG.
Artikel 7
Artikel 7 heft de overbodige woorden "en de daarmee samenhangende geluidsplanning" op.
Artikel 8
Artikel 8 en ook navolgende artikels 9, 12, 13, 14 en 15, vervangt de term "geluidsactieprogramma's" door de term "geluidsactieplannen" overeenkomstig de terminologie van EU-richtlijn 2002/49/EG.
Artikel 9
Artikel 9 beoogt paragraaf 5 van artikel 2.2.4.4.1 van VLAREM II te vervangen door de tekstpassage uit artikel 8.1 van EU-richtlijn 2002/49/EG: "...maatregelen moeten in het bijzonder gericht zijn op prioritaire problemen die kunnen worden bepaald op grond van overschrijding van een relevante grenswaarde of andere door de lidstaten gekozen criteria, en zij moeten in de eerste plaats van toepassing zijn op de belangrijkste zones zoals die zijn vastgesteld door middel van de strategische geluidsbelastingskaarten." Deze wijziging aligneert m.a.w. de bepalingen van VLAREM II met deze van de EU-richtlijn 2002/49/EG.
Artikelen 10 en 11
Deze artikelen behoeven geen aanvullende toelichting.
Artikelen 12 en 13
Deze artikelen voegen een artikel 4.4.8.4, respectievelijk een afdeling 6.8.6, toe aan titel II van het VLAREM.
De verplichting voor het bezit van een erkenning als koeltechnicus voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens of koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, wordt in titel II van het VLAREM ingevoerd voor zowel de ingedeelde als de niet-ingedeelde installaties. De erkenningsverplichting is een uitvoering van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
Artikelen 14 en 15
Deze artikelen behoeven geen aanvullende toelichting.
Artikelen 16 en 17
Punt 1° behoeft geen aanvullende toelichting. Met punt 2° wordt de terminologie van EU-richtlijn 2002/49/EG overgenomen, met verwijzing naar het met de bedoelde passage uit artikel 5 van de richtlijn equivalente artikel 2.2.4.6.1, 4°. Door middel van punt 3°, en ook verder via artikel 17 wordt de term "geluidsactieprogramma" vervangen door de term "geluidsactieplan".
Artikelen 18 tot 23
Deze artikelen wijzigen respectievelijk bijlagen 2.5.3.1, 2.5.3.3, 2.5.3.6, 2.5.3.9, 2.5.8.4 en 2.5.8.5 bij titel II van het VLAREM met het oog op de omzetting van de Europese richtlijn 2015/1480 tot wijziging van diverse bijlagen bij de Richtlijnen 2004/107/EG en 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels betreffende de referentiemethoden, de validatie van gegevens en de locatie van de bemonsteringspunten voor de beoordeling van de luchtkwaliteit.
De bijlagen 2.5.3.6 en 2.5.8.5 verwijzen naar EN-normen die tegen betaling raadpleegbaar zijn bij het Belgisch Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be). De Raad van State merkt in haar advies 60.231/1 van 10 november 2016 op dat deze technische normen niet overeenkomstig artikel 190 van de Grondwet bekend gemaakt zijn en derhalve in beginsel niet tegenstelbaar zijn aan derden. De Raad van State haalde dit knelpunt in het verleden al meermaals aan en wees herhaaldelijk op de wenselijkheid van het uitwerken van een horizontale oplossing. De Raad merkt ook op dat, ingeval er bijzondere redenen zouden zijn om bij wet af te wijken van de gebruikelijke bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, erop dient te worden toegezien dat de alternatieve vorm van bekendmaking beantwoordt aan de essentiële randvoorwaarden inzake toegankelijkheid en kenbaarheid van een officiële bekendmaking, waarbij het essentieel is dat een Nederlandse, Franse en, zo mogelijk, Duitse versie van de betrokken normen beschikbaar is en dat, wanneer voor het consulteren van de normen een vergoeding wordt gevraagd, het bedrag ervan de toegankelijkheid van die normen niet op een onevenredige wijze belemmert.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008
tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Artikel 24
Met de wijzigingen aan het VLAREL moet ook de lijst met milieu-inbreuken in bijlage XXIII van Milieuhandhavingsbesluit worden aangepast.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het VLAREL
Artikel 25
Dit artikel wijzigt artikel 4, § 1, van het VLAREL. Er wordt een definitie van koelwagen en koelaanhangwagen ingevoerd naar aanleiding van de invoering van een erkenningsverplichting voor een koeltechnicus die bepaalde werkzaamheden uitvoert aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten. Deze definities zijn afgestemd met verordening (EU) nr. 517/2014.
Artikel 26
Dit artikel wijzigt artikel 6 van het VLAREL naar aanleiding van de invoering van de erkenningsverplichting als koeltechnicus om bepaalde werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, te verrichten.
Er wordt geen nieuwe erkenning van technicus ingevoerd. De erkende koeltechnicus die momenteel erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitvoert, zal ook de erkenningsplichtige werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens met gefluoreerde broeikasgassen mogen uitvoeren (conform uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067).
Artikel 27
Dit artikel wijzigt artikel 40/1 van het VLAREL dat de bijzondere gebruikseisen van een koeltechnicus bevat. De bijzondere gebruikseisen die nu opgenomen worden, hebben betrekking op de koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten en zijn gebaseerd op artikel 6 van verordening (EU) nr. 517/2014.
Artikel 28
Dit artikel wijzigt artikel 58/1, § 4, van het VLAREL. De afdeling Milieuvergunningen kan momenteel een keuringsinstelling aanwijzen die haar bijstaat bij de controle op de naleving van de erkenningsvoorwaarden en gebruikseisen van erkende technici en airco-energiedeskundigen (zoals de controle op het correct uitvoeren van een keuring of onderhoud van een centraal stooktoestel of stookolietank, verwarmingsaudit, ...). Met de voorgestelde wijziging kan de afdeling Milieuvergunningen ook een keuringsinstelling aanwijzen om haar bij te staan bij de controle op het werk van een erkend koeltechnicus die werkt aan koeleenheden op koelwagens of koelaanhangwagens met gefluoreerde broeikasgassen naar aanleiding van de erkenningsverplichting voor de koeltransportsector vanaf 1 juli 2017.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
Artikel 29
Volgens artikel 12 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 is de erkenningsverplichting voor een koeltechnicus die bepaalde werkzaamheden verricht aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten pas vanaf 1 juli 2017 van toepassing. De betrokken bepalingen van het voorliggend besluit zullen om die reden pas vanaf deze datum in werking treden.
Artikel 30
Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast.
De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw,
J. SCHAUVLIEGE

ADVIES 60.231/1 VAN 10 NOVEMBER 2016 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING `TOT WIJZIGING VAN DIVERSE BESLUITEN INZAKE LEEFMILIEU'
Op 11 oktober 2016 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 8 november 2016 .
De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Patricia De Somere, staatsraden, en Wim Geurts, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur .
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 10 november 2016.
STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
1. Het om advies voorgelegde ontwerp strekt ertoe een aantal wijzigingen aan te brengen in titel II van VLAREM van 1 juni 1995 (hierna: VLAREM II), het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 `tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid' en het VLAREL van 19 november 2010.
2. Het ontworpen besluit vindt rechtsgrond in de in de aanhef van het ontwerp vermelde artikelen, met dien verstande dat een beroep op de algemene uitvoeringsbevoegdheid vervat in artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen' niet nodig is, en de verwijzing naar "de artikelen 22ter tot en met 22novies" van het decreet van 28 juni 1985 `betreffende de milieuvergunning', kan worden beperkt tot "de artikelen 22quater, §§ 2 en 6, en 22septies".
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Aanhef
3. Gelet op hetgeen daarover is vermeld in opmerking 2, schrappe men het derde lid van de aanhef, en vervange men in het zesde lid - dat het vijfde lid wordt - de verwijzing naar "de artikelen 22ter tot 22novies" door een verwijzing naar "de artikelen 22quater, §§ 2 en 6, en 22septies".
Artikel 2
4.1. Bij artikel 2, 1°, a) van het ontwerp wordt de definitie van "belangrijke luchthaven" gewijzigd, met als gevolg dat de luchthavens van Antwerpen, Oostende-Brugge en Kortrijk-Wevelgem voortaan niet meer onder de toepassing vallen van de bepalingen van "afdeling 2.2.4. Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai" van VLAREM II, te weten de verplichting voor het bestuur tot het opstellen van geluidsplannen en geluidsactieprogramma's, met bijhorende inspraakprocedure voor het publiek.
Deze inspraak is thans geregeld voor de totstandkoming van de geluidsplanning en geluidsactieprogramma's en hun wijzigingen en herzieningen (artikel 2.2.4.4.1, § 8, van VLAREM II). Overeenkomstig artikel 1.1.2 van VLAREM II wordt "geluidsplanning" gedefinieerd als de planning van maatregelen, onder meer in het kader van milieubeleid, ruimtelijke ordening en mobiliteit zoals de ontwikkeling van verkeerssystemen, verkeersplanning, geluidszonering, isolatiemaatregelen en lawaaibeheersing aan de bron met het oog op het vermijden van toekomstige geluidshinder en "geluidsactieprogramma's" als programma's met brongerichte en effectgerichte maatregelen voor de beheersing van het omgevingslawaai met het oog op het respecteren van de milieukwaliteitsnormen voor omgevingslawaai.
4.2. De ontworpen wijziging komt neer op een versoepeling van de regelgeving. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt aangetoond dat deze versoepeling in overeenstemming is met richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 `inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai'.
4.3. De ontworpen wijziging moet evenwel ook beoordeeld worden in het licht van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, waarin het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu wordt gewaarborgd. Het Grondwettelijk Hof erkent dat de mogelijkheid tot inspraak een waarborg biedt voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening (1). Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang (2).
De vraag rijst of de ontworpen wijziging verantwoord is in het licht van dit standstill-beginsel. Een inspraakregeling met het oog op de beheersing van lawaai-uitstoot en lawaai-effecten, met inbegrip van lawaaivermindering, is immers niet terug te vinden in de bepalingen van hoofdstuk 5.57 van VLAREM II.
Hiernaar gevraagd, antwoordde de gemachtigde:
"Zoals in het Verslag aan de Vlaamse Regering onder de artikelsgewijze bespreking is gesteld kan er geen sprake zijn van een achteruitgang in het beschermingsniveau, i.c. in een toename van de geluidshinder of verminderde informatieverspreiding over de geluidshinder of toename van de geluidsblootstelling van de omwonenden. Waar de bepalingen van hoofdstuk 5.57 voornamelijk ingaan op de verplichtingen van de exploitant m.b.t. de bepaling van geluidscontouren, de berekening van het aantal potentieel sterk gehinderden en op de verplichting om deze contouren en gehinderden jaarlijks te laten berekenen en te bezorgen aan de in art. 5.57.2.2. § 2 vermelde instanties, voorzien de bijzondere voorwaarden die worden opgelegd in de milieuvergunning van de regionale luchthavens in bepalingen die minstens equivalent zijn aan de bepalingen van deel 2 van VLAREM II. We verwijzen in dit verband naar de verplichting om jaarlijks geluidsbelastingskaarten op te maken (versus vijfjaarlijks in deel 2 van VLAREM II), en de vergaderingen van de overlegcommissies van de luchthaven Oostende en Antwerpen waarin vertegenwoordigers van de lokale overheden en omwonenden vertegenwoordigd zijn en die overeenkomstig de opgelegde bijzondere voorwaarden minstens 2 tot 3 maal per jaar georganiseerd moeten worden (versus vijfjaarlijkse terinzagelegging van ontwerp geluidsactieprogramma's in deel 2 van VLAREM II). De doelstelling van deze overlegcommissies is nader opgenomen in de bijzondere voorwaarden en omvat de klachten van omwonenden te inventariseren, mogelijkheden ter oplossing voor te stellen, en de omwonenden en de overheden in te lichten over de reeds gevoerde en de te voeren milieupolitiek. De leden krijgen hierbij onder meer toegang tot geluid- en vluchtgerelateerde gegevens, documenten en specifieke rapportages en het klachtenregister (inzagerecht).
Als vorm van inspraak kan ook verwezen worden naar de structurele klachtenbehandeling die plaatsvindt op de regionale luchthavens van Oostende en Antwerpen, zoals voorzien in bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden, met de verplichting om een klachtenregister bij te houden en over de opvolging ervan terug te koppelen naar de leden van de overlegcommissies waarin omwonenden en lokale overheden vertegenwoordigd zijn.
Wij zijn bijgevolg van oordeel dat de maatregelen die zijn opgelegd aan de regionale luchthavens in hoofdstuk 5.57 in combinatie met de van toepassing zijnde bijzondere voorwaarden op een adequate wijze invulling geven aan de mogelijkheid tot inspraak van het publiek."
Deze uiteenzetting doet er op het eerste gezicht niet van blijken dat de ontworpen wijziging een aanzienlijke achteruitgang van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu zou impliceren, doch de Raad van State, afdeling Wetgeving, beschikt over een onvoldoende inzicht in alle juridische en feitelijke gegevens om hierover uitsluitsel te geven.
5. Artikel 2, 1°, b) van het ontwerp voegt een nieuwe definitie van "licht vliegtuig" in en definieert dit als "het vliegtuig ingedeeld in ICAO Wake Turbulence Category `Light' (MTOW < 7000 kg)".
Gevraagd naar de plaats van publicatie van de ICAO Wake Turbulence Category "Light", antwoordde de gemachtigde:
"Via internet (ICAO Doc. 4444 Air Traffic Management PANS-ATM).
De definitie van de gewichtscategoriëen van vliegtuigen worden gedefinieerd onder punt 4.9.1.:
`4.9.1 Wake turbulence categories of aircraft
4.9.1.1 Wake turbulence separation minima shall be based on a grouping of aircraft types into three categories according to the maximum certificated take-off mass as follows:
a) HEAVY (H) - all aircraft types of 136 000 kg or more
b) MEDIUM (M) aircraft types less than 136 000 kg but more than 7 000 kg; and
c) LIGHT (L) aircraft types of 7 000 kg or less'".
Deze definitie van "licht vliegtuig" kan rechtsonzekerheid met zich meebrengen in die zin dat enerzijds dynamisch wordt verwezen naar de definitie die wordt gegeven door de internationale burgerluchtvaartorganisatie ICAO en die aldus door deze organisatie in de toekomst kan worden gewijzigd, en anderzijds statisch wordt verwezen door de toevoeging van "MTOW < 7000 kg" in de ontworpen bepaling zelf, zodat bij een toekomstige wijziging door de ICAO niet duidelijk zal zijn welke definitie geldig is (3).
Mede gelet op de mogelijke impact van de definitie "licht vliegtuig" op de definitie van "belangrijke luchthaven" die verwijst naar het aantal jaarlijkse vliegtuigbewegingen "met uitzondering van oefenvluchten met lichte vliegtuigen", verdient het aanbeveling voormeld risico op tegenstrijdige definities weg te werken.
Artikelen 20 en 23
6. In de artikelen 20 en 23 van het ontwerp wordt op verschillende plaatsen gerefereerd aan technisch EN-normen, alsook aan een ISO-norm, overeenkomstig dewelke bepaalde stoffen worden bemonsterd en gemeten.
Gevraagd naar de vindplaats van deze normen, antwoordde de gemachtigde:
"EN normen worden opgesteld onder auspiciën van de Europese normalisatie-organisatie CEN en ze worden voor België gepubliceerd door de aangesloten nationale normalisatie-instituten. Voor België is dat het Bureau voor Normalisatie (NBN). Deze Europese normen worden door het Belgisch Bureau voor Normalisatie (NBN) voorzien van een titelblad in het Nederlands en het Frans. De EN-normen zelf worden niet vertaald vanuit het Engels en zijn dus niet in het Nederlands raadpleegbaar. De normen moeten aangekocht worden bij het NBN en zijn dus niet kosteloos toegankelijk. Het NBN beheert een catalogus van alle gepubliceerde normen die je kan raadplegen via hun website.
Het verslag aan de Vlaamse Regering zal aangepast worden voor de volgende punten door bij de betreffende artikels te verwijzen naar het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be), waar deze normen teruggevonden kunnen worden: artikel 2.5.3.6 en artikel 2.5.8.5."
Deze technische normen zijn niet overeenkomstig artikel 190 van de Grondwet bekendgemaakt en derhalve in beginsel niet tegenwerpbaar aan derden. De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft in het verleden al bij herhaling aandacht besteed aan het knelpunt van de ontbrekende bekendmaking van technische normen waaraan in Belgische rechtsregels wordt gerefereerd en heeft in dit verband gewezen op de wenselijkheid van het uitwerken van een horizontale oplossing. Tevens heeft de Raad opgemerkt dat, ingeval er bijzondere redenen zouden zijn om bij wet af te wijken van de gebruikelijke bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, erop dient te worden toegezien dat de alternatieve vorm van bekendmaking beantwoordt aan de essentiële randvoorwaarden inzake toegankelijkheid en kenbaarheid van een officiële bekendmaking, waarbij het essentieel is dat een Nederlandse, Franse en, zo mogelijk, Duitse versie van de betrokken normen beschikbaar is en dat, wanneer voor het consulteren van de normen een vergoeding wordt gevraagd, het bedrag ervan de toegankelijkheid van die normen niet op een onevenredige wijze belemmert. Deze opmerking geldt mutatis mutandis ook voor het voorliggende ontwerp.
De griffier,
W. Geurts.
De voorzitter,
M. Van Damme.
__________
(1) GwH 57/2016 van 28 april 2016, overw. B.21.3.
(2) GwH 175/2015 van 3 december 2015, overw. B.4.2.
(3) Zie voor de begrippen dynamische en statische verwijzing: Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be), aanbeveling nr. 74.

16 DECEMBER 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu
DE VLAAMSE REGERING,
Gelet op verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
Gelet op uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat;
Gelet op de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, artikel 1 en artikel 4;
Gelet op de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, inzonderheid artikel 1, gewijzigd bij de wet van 21 december 1998;
Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 20, gewijzigd bij de decreten van 22 december 1993, 21 oktober 1997, 11 mei 1999, 6 februari 2004, 12 december 2008, 23 december 2010, 25 mei 2012 en 9 mei 2014, en artikelen 22quater, §§ 2 en 6, en 22septies, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009;
Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 16.1.2, 1°, f), ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, en artikel 16.4.27, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
Gelet op het VLAREL van 19 november 2010;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 22 september 2016;
Gelet op advies 60.231/1 van de Raad van State, gegeven op 10 november 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw;
Na beraadslaging,
Besluit :
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de omzetting van richtlijn 2015/1480/EU van de Commissie van 28 augustus 2015 tot wijziging van diverse bijlagen bij de Richtlijnen 2004/107/EG en 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels betreffende de referentiemethoden, de validatie van gegevens en de locatie van de bemonsteringspunten voor de beoordeling van de luchtkwaliteit.
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM
Art. 2. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in "Definities geluid (hoofdstukken 2.2, 4.5, 5.32 en 6.7)" worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de definitie "belangrijke luchthaven" wordt de zinsnede ", en de vliegvelden ingedeeld in rubriek 57, klasse 1" vervangen door de zinsnede: "met uitsluiting van oefenvluchten met lichte vliegtuigen;";
b) tussen de definitie "belangrijke luchthaven" en de definitie "geluidsbelastingkaart" wordt een definitie "licht vliegtuig" ingevoegd die luidt als volgt:
" - "licht vliegtuig": vliegtuig ingedeeld in ICAO Wake Turbulence Category `Light'";
c) in de definitie "geluidsbelastingkaart" wordt het woord "milieukwaliteitsnormen" vervangen door het woord "drempelwaarden";
d) de definitie "geluidsactieprogramma's" wordt vervangen door wat volgt:
""geluidsactieplannen": plannen bedoeld voor de beheersing van lawaai-uitstoot en lawaai-effecten, waar nodig met inbegrip van lawaaivermindering;";
e) de definitie "milieukwaliteitsnormen" wordt opgeheven;
f) er wordt een definitie "drempelwaarde" toegevoegd die luidt als volgt:
"-"drempelwaarde": waarde van Lden of Lnight, en waar passend Lday en Levening, als bepaald door de Vlaamse Regering, bij overschrijding waarvan de bevoegde instanties beperkingsmaatregelen in overweging nemen of opleggen; de drempelwaarden kunnen verschillend zijn voor verschillende typen lawaai (lawaai door weg-, spoorweg- of luchtverkeer, industrielawaai enz.), verschillende omgevingen en verschillende gevoeligheden van bevolkingsgroepen voor lawaai; zij kunnen ook verschillend zijn voor bestaande en nieuwe situaties (bij verandering van de situatie wat de geluidsbron of het omgevingsgebruik betreft);";
2° de subtitel "Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen (hoofdstuk 4.4 (afdeling 4.4.8), hoofdstuk 5.2 (artikel 5.2.2.5.2, § 9), hoofdstuk 5.15 (artikel 5.15.0.8), hoofdstuk 5.16 (artikel 5.16.3.3, § 1bis), hoofdstuk 5bis.15.5 (artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, en artikel 5bis.15.5.4.5.7, § 2), hoofdstuk 5bis.19.8 (artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, en artikel 5bis.19.8.4.8.7, § 2) en hoofdstuk 6.8 (artikel 6.8.1.1 en afdeling 6.8.2 tot en met 6.8.5)" wordt vervangen door de subtitel "Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen (hoofdstuk 4.4 (afdeling 4.4.8), hoofdstuk 5.2 (artikel 5.2.2.5.2, § 9), hoofdstuk 5.15 (artikel 5.15.0.8), hoofdstuk 5.16 (artikel 5.16.3.3, § 1bis), hoofdstuk 5bis.15.5 (artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, en artikel 5bis.15.5.4.5.7, § 2), hoofdstuk 5bis.19.8 (artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, en artikel 5bis.19.8.4.8.7, § 2) en hoofdstuk 6.8 (artikel 6.8.1.1 en afdeling 6.8.2 tot en met 6.8.6)";
3° aan definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen (hoofdstuk 4.4 (afdeling 4.4.8), hoofdstuk 5.2 (artikel 5.2.2.5.2, § 9), hoofdstuk 5.15 (artikel 5.15.0.8), hoofdstuk 5.16 (artikel 5.16.3.3, § 1bis), hoofdstuk 5bis.15.5 (artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, en artikel 5bis.15.5.4.5.7, § 2), hoofdstuk 5bis.19.8 (artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, en artikel 5bis.19.8.4.8.7, § 2) en hoofdstuk 6.8 (artikel 6.8.1.1 en afdeling 6.8.2 tot en met 6.8.6)" worden een punt 9° en een punt 10° toegevoegd, die luiden als volgt:
"9° koelwagen: een motorvoertuig met een gewicht van meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust;
10° koelaanhangwagen: een voertuig dat bestemd en gebouwd is om door een vrachtwagen of een trekker te worden gesleept, primair om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust.".
Art. 3. In artikel 2.2.0.1 van hetzelfde besluit wordt tussen de woorden "voor geluid" en de woorden "worden vastgesteld" de woorden "en beleidstaken ter zake" ingevoegd.
Art. 4. Afdeling 2.2.3 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 5. In artikel 2.2.4.1.1, 2°, van hetzelfde besluit worden de woorden "een geluidsplanning en het opstellen van geluidsactieprogramma's" vervangen door het woord "geluidsactieplannen".
Art. 6. In artikel 2.2.4.2.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "geluidsplanning en geluidsactieprogramma's" worden telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen";
2° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° het in overweging nemen van en desgevallend voorstellen van beperkingsmaatregelen aan de Vlaamse Regering in geval van overschrijding van de toepasselijke drempelwaarden voor omgevingslawaai;".
Art. 7. In artikel 2.2.4.3.1, § 7, van hetzelfde besluit worden de woorden "en de daarmee samenhangende geluidsplanning" opgeheven.
Art. 8. In het opschrift van subafdeling 2.2.4.4 van hetzelfde besluit wordt het woord "geluidsactieprogramma's" vervangen door het woord "geluidsactieplannen".
Art. 9. In artikel 2.2.4.4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 2 en 3 worden de woorden "geluidsplanning en de geluidsactieprogramma's" telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen";
2° in paragraaf 4, 6, 7 en 8, eerste zin, wordt het woord "geluidsactieprogramma's" telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen";
3° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. De uitgewerkte maatregelen zijn gericht op het oplossen van prioritaire problemen die kunnen worden bepaald op grond van de overschrijding van toepasselijke drempelwaarden of andere criteria, die door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld, en zijn in de eerste plaats van toepassing op de belangrijkste zones zoals vastgesteld in de strategische geluidsbelastingkaarten.";
4° in paragraaf 8, 1°, 3° en 4°, worden de woorden "geluidsplanning en geluidsactieprogramma's" telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen".
Art. 10. In artikel 2.2.4.5.1 van hetzelfde besluit worden de woorden ", de geluidsplanning en geluidsactieprogramma's" vervangen door de woorden "en geluidsactieplannen".
Art. 11. In artikel 2.2.4.6.1, 4°, van hetzelfde besluit, wordt het woord "milieukwaliteitsnormen" vervangen door het woord "drempelwaarden".
Art. 12. Aan afdeling 4.4.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt een artikel 4.4.8.4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.8.4. De volgende werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:
1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
2° controles op lekkage van koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.
Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten.".
Art. 13. Aan hoofdstuk 6.8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt een afdeling 6.8.6 die bestaat uit artikel 6.8.6.1 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 6.8.6. - Niet-ingedeelde koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens
Art. 6.8.6.1. De volgende werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:
1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
2° controles op lekkage van koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.
Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten.".
Art. 14. In bijlage 2.2.4.1 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieukwaliteitsnormen" vervangen door het woord "drempelwaarden".
Art. 15. In bijlage 2.2.4.4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord "geluidsactieprogramma's" wordt telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen";
2° het woord "milieukwaliteitsnorm" wordt vervangen door het woord "drempelwaarde".
Art. 16. In bijlage 2.2.4.5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord "geluidsactieprogramma's" wordt telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen";
2° de woorden "de toepasselijke milieukwaliteitsnormen" worden vervangen door de woorden "eventuele drempelwaarden overeenkomstig artikel 2.2.4.6.1, 4° ;";
3° het woord "geluidsactieprogramma" wordt vervangen door het woord "geluidsactieplan".
Art. 17. In bijlage 2.2.4.6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord "geluidsactieprogramma's" wordt telkens vervangen door het woord "geluidsactieplannen";
2° het woord "geluidsactieprogramma" wordt telkens vervangen door het woord "geluidsactieplan".
Art. 18. In bijlage 2.5.3.1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, wordt punt 1 van deel C vervangen door wat volgt:
"1. Om de nauwkeurigheid van de metingen en de naleving van de gegevenskwaliteitsdoelstellingen vastgesteld in deel A, te garanderen, zien de krachtens artikel 2.5.2.1.3 aangewezen bevoegde instanties en organen erop toe dat:
- alle metingen die worden uitgevoerd in samenhang met de beoordeling van de luchtkwaliteit overeenkomstig artikel 2.5.2.2.2 en 2.5.2.2.5, traceerbaar zijn overeenkomstig de voorschriften van de geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria;
- de instellingen die netwerken en individuele stations beheren, beschikken over een functionerend kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontrolesysteem dat voorziet in geregeld onderhoud om de voortdurende nauwkeurigheid van de meetapparaten te garanderen. Het kwaliteitssysteem wordt wanneer dat nodig is, maar ten minste om de vijf jaar, geëvalueerd door het betrokken referentielaboratorium;
- er een kwaliteitsborgings- of kwaliteitscontroleproces wordt ingevoerd voor de gegevensvergaring en -rapportage en dat de instellingen die met die taak belast zijn actief deelnemen aan de desbetreffende EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma's;
- de referentielaboratoria worden aangewezen door de krachtens artikel 2.5.2.1.3 aangewezen bevoegde instanties of organen en geaccrediteerd zijn voor de referentiemethoden, vermeld in bijlage 2.5.3.6, ten minste voor die verontreinigende stoffen waarvoor de concentraties boven de onderste beoordelingsdrempel liggen, overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria, waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van Verordening (EG) nr. 765/2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht. Deze laboratoria zijn ook verantwoordelijk voor de coördinatie op gewestelijk niveau van de EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma's die door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie zullen worden georganiseerd, en zij zijn tevens verantwoordelijk voor de coördinatie op gewestelijk niveau van de correcte toepassing van referentiemethoden en het bewijs van de gelijkwaardigheid van niet-referentiemethoden. Referentielaboratoria die gewestelijk ringonderzoek organiseren, moeten ook geaccrediteerd zijn overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor bekwaamheidstests;
- de referentielaboratoria ten minste om de drie jaar deelnemen aan de EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma's die door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie worden georganiseerd. Als deze deelname onbevredigende resultaten oplevert, moet het laboratorium bij zijn volgende deelname aan een ringonderzoek aantonen dat het bevredigende herstelmaatregelen heeft genomen en hierover aan het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek rapporteren;
- de referentielaboratoria de werkzaamheden van het door de Commissie opgerichte Europese netwerk van nationale referentielaboratoria ondersteunen.".
Art. 19. In bijlage 2.5.3.3 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, worden de volgende wijzigingen aan gebracht:
1° deel C wordt vervangen door wat volgt:
"C. Situering van de bemonsteringspunten op microschaal
Voor zover ze uitvoerbaar zijn, zijn de volgende overwegingen van toepassing:
- de luchtstroom rond de inlaat van de bemonsteringsbuis is onbelemmerd (in het algemeen binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor monsternemingspunten aan de rooilijn), zonder enige verstoring van de luchtstroom in de omgeving van de inlaat (normaal wordt enkele meters afstand gehouden van gebouwen, balkons, bomen en andere obstakels en monsternemingspunten die representatief zijn voor de luchtkwaliteit aan de rooilijn bevinden zich minstens op een afstand van 0,5 meter van het dichtstbijzijnde gebouw);
- de hoogte van de inlaat boven de grond ligt in het algemeen tussen 1,5 meter (ademhalingshoogte) en 4 meter. Een grotere hoogte kan ook nuttig zijn als het station representatief moet zijn voor een groot gebied en elke afwijking wordt volledig gedocumenteerd;
- de inlaat bevindt zich niet in de directe nabijheid van bronnen om te voorkomen dat de uitstoot daarvan rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;
- de uitlaat van het bemonsteringsapparaat bevindt zich op een zodanige plaats dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis terecht kan komen;
- voor alle verontreinigende stoffen zijn de verkeersgerichte bemonsteringsbuizen ten minste 25 meter van de rand van grote kruispunten en niet meer dan 10 meter van de wegrand verwijderd. Een groot kruispunt is een kruispunt waardoor de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt (stop-and-goverkeer) ten opzichte van het overige gedeelte van de weg.
Ook met de volgende factoren kan rekening worden gehouden:
- storende bronnen;
- beveiliging;
- toegankelijkheid;
- beschikbaarheid van elektriciteit en telefoonlijnen;
- zichtbaarheid ten opzichte van de omgeving;
- veiligheid van publiek en bedieners;
- de wenselijkheid om de bemonsteringspunten voor verschillende verontreinigde stoffen op dezelfde plaats onder te brengen;
- eisen in verband met ruimtelijke ordening."
Elke afwijking van de criteria, genoemd in dit deel, wordt volledig gedocumenteerd overeenkomstig de procedures, vermeld in deel D.";
2° deel D wordt vervangen door wat volgt:
"D. Documentatie en toetsing van de gekozen locaties
De krachtens artikel 2.5.2.1.3 aangewezen instanties documenteren voor alle zones en agglomeraties de procedures voor de keuze van de locaties volledig en registreren informatie om het ontwerp van het netwerk en de keuze van de locaties voor alle meetpunten te ondersteunen. De documentatie omvat foto's in verschillende windrichtingen van de omgeving van de meetlocaties en gedetailleerde kaarten. Als aanvullende methoden worden toegepast in een zone of agglomeratie, omvat de documentatie bijzonderheden van deze methoden en informatie over hoe aan de criteria, vermeld in artikel 2.5.2.2.3, § 3, wordt voldaan. De documentatie wordt bijgewerkt wanneer dat nodig is en ten minste om de vijf jaar geëvalueerd om te garanderen dat de selectiecriteria, het ontwerp van het netwerk en de locaties van de meetpunten te allen tijde geldig en optimaal blijven. Als de Commissie documentatie opvraagt, moet deze binnen drie maanden na indiening van het verzoek worden verstrekt.".
Art. 20. In bijlage 2.5.3.6 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° deel A wordt vervangen door wat volgt:
"A. REFERENTIEMETHODEN
1. Referentiemethode voor het meten van zwaveldioxide
De referentiemethode voor het meten van zwaveldioxide wordt beschreven in EN 14212:2012 "Ambient air - Standard method for the measurement of the concentration of sulphur dioxide by ultraviolet fluorescence".
2. Referentiemethode voor het meten van stikstofdioxide en stikstofoxiden
De referentiemethode voor het meten van stikstofdioxide en stikstofoxiden wordt beschreven in EN 14211:2012 "Ambient air - Standard method for the measurement of the concentration of nitrogen dioxide and nitrogen monoxide by chemiluminescence".
3. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van lood
De referentiemethode voor het bemonsteren van lood wordt beschreven in deel A, punt 4. De referentiemethode voor het meten van lood wordt beschreven in EN 14902:2005 "Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter".
4. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM10
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van PM10 wordt beschreven in EN 12341:2014 "Ambient Air - standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5 mass concentration of suspended particulate matter".
5. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM2,5
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van PM2,5 wordt beschreven in EN 12341:2014 "Ambient Air - standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5 mass concentration of suspended particulate matter".
6. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van benzeen
De referentiemethode voor het meten van benzeen wordt beschreven in EN 14662:2005, delen 1, 2 en 3 "Ambient air quality - Standard method for the measurement of benzene concentrations".
7. Referentiemethode voor het meten van koolmonoxide
De referentiemethode voor het meten van koolmonoxide wordt beschreven in EN 14626:2012 "Ambient air - Standard method for the measurement of the concentration of carbon monoxide by non- dispersive infrared spectroscopy".
8. Referentiemethode voor het meten van ozon
De referentiemethode voor het meten van ozon wordt beschreven in EN 14625:2012 "Ambient air - Standard method for the measurement of the concentration of ozone by ultraviolet photometry".";
2° deel D wordt opgeheven;
3° deel E wordt vervangen door wat volgt:
"E. Om aan te tonen dat de uitrusting aan de prestatievereisten van de referentiemethoden, vermeld in deel A van deze bijlage, voldoet, moeten de krachtens artikel 2.5.2.1.3 aangewezen bevoegde instanties en organen de testverslagen aanvaarden die in andere lidstaten zijn opgesteld mits de beproevingslaboratoria overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria zijn geaccrediteerd.
De gedetailleerde testverslagen en alle testresultaten worden ter beschikking gesteld van de andere bevoegde instanties of de aangewezen organen daarvan. Uit de testverslagen moet blijken dat de uitrusting aan alle prestatievereisten voldoet, ook als bepaalde milieu- of plaatselijke omstandigheden specifiek zijn voor een lidstaat en niet overeenstemmen met de omstandigheden waarin de uitrusting reeds is getest en waarin reeds een typetest is uitgevoerd in een andere lidstaat.".
Art. 21. In bijlage 2.5.3.9 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, wordt deel A vervangen door wat volgt:
"A. MINIMUMAANTAL BEMONSTERINGSPUNTEN VOOR VASTE METINGEN VAN DE OZONCONCENTRATIES
Minimumaantal bemonsteringspunten voor continue vaste metingen om op plaatsen waar dergelijke metingen de enige bron van gegevens zijn, te beoordelen of de streefwaarden, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels worden nageleefd.

Bevolking (x 1 000) Agglomeratie (1) Andere zones (1) Plattelandsachtergrond
< 250   1 Voor alle zones van het land (2) gemiddeld 1 station/50 000 km2
< 500 1 2
< 1 000 2 2
< 1 500 3 3
< 2 000 3 4
< 2 750 4 5
< 3 750 5 6
> 3 750 1 extra station per 2 miljoen inwoners 1 extra station per 2 miljoen inwoners
(1) Ten minste 1 station in gebieden waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste ozonconcentraties wordt blootgesteld. In agglomeraties moet ten minste 50% van de stations zich in voorstedelijke gebied bevinden.
(2) Voor gebieden met complexe topografie wordt 1 station per 25 000 km2 aanbevolen.


".
Art. 22. In deel I van bijlage 2.5.8.4 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de tabel wordt vervangen door wat volgt:

  Benzo(a) pyreen Arseen,
cadmium en nikkel
Andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen, totaal gasvormig kwik Totale
depositie
- Onzekerheid        
Vaste en indicatieve metingen 50% 40% 50% 70%
Modellen 60% 60% 60% 60%
- Minimale gegevensvastlegging 90% 90% 90% 90%
- Minimaal verstreken tijd        
Vaste metingen (1) 33% 50%    
Indicatieve metingen (1)(2) 14% 14% 14% 33%
(1) Gespreid over het jaar met het oog op de representativiteit voor de diverse klimaatomstandigheden en antropogene activiteiten.
(2) Indicatieve metingen zijn metingen die met een beperkte regelmaat worden uitgevoerd, maar wel aan de andere doelstellingen voor de kwaliteit van de gegevens voldoen.


2° in het derde lid wordt de zin "Bemonstering gedurende 24 uur is eveneens aan te bevelen voor het meten van arseen-, cadmium- en nikkelconcentraties." opgeheven;
3° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De bepalingen inzake individuele monsters, vermeld in het derde lid, gelden ook voor arseen, cadmium, nikkel en totaal gasvormig kwik. Bovendien is het toegestaan deelmonsters te nemen met behulp van PM10-filters voor de bemonstering en analyse van metalen, mits bewijs wordt geleverd dat het deelmonster representatief is voor het geheel en dat de detectiegevoeligheid in overeenstemming is met de relevante doelstellingen voor de kwaliteit van de gegevens. PM10-bemonstering mag per week in plaats van per dag plaatsvinden op voorwaarde dat de karakteristieken van het monster hierdoor niet worden aangetast.".
Art. 23. In bijlage 2.5.8.5 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2006, worden de delen I tot en met IV vervangen door wat volgt:
"I. Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van arseen, cadmium en nikkel in de lucht
De referentiemethode voor de bemonstering van arseen, cadmium en nikkel in de lucht wordt beschreven in EN 12341:2014. De referentiemethode voor het meten van arseen, cadmium en nikkel in de lucht wordt beschreven in EN 14902:2005 "Ambient air quality - Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter".
Er mogen ook andere methoden toegepast worden op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat de resultaten gelijkwaardig zijn aan die van de bovengenoemde methode.
II. Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht
De referentiemethode voor de bemonstering van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht wordt beschreven in EN 12341:2014. De referentiemethode voor de meting van benzo(a)pyreen in de lucht wordt beschreven in EN 15549:2008 "Air quality - Standard method for the measurement of concentration of benzo[a]pyrene in ambient air". Zolang er geen door de CEN gestandaardiseerde methode is voor de andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 2.5.7.2, § 8, kunnen nationale standaardmethoden of ISO-methoden, zoals ISO-norm 12884, gebruikt worden.
Er mogen ook andere methoden toegepast worden op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat de resultaten gelijkwaardig zijn aan die van de bovengenoemde methode.
III. Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van kwik in de lucht
De referentiemethode voor het meten van concentraties van totaal gasvormig kwik in de lucht wordt beschreven in EN 15852:2010 "Ambient air quality - Standard method for the determination of total gaseous mercury".
Er mogen ook andere methoden toegepast worden op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat de resultaten gelijkwaardig zijn aan die van de bovengenoemde methode.
IV. Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van de depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van arseen, cadmium en nikkel wordt beschreven in EN 15841:2009 "Ambient air quality - Standard method for determination of arsenic, cadmium, lead and nickel in atmospheric deposition".
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van kwik wordt beschreven in EN 15853:2010 "Ambient air quality - Standard method for determination of mercury deposition".
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van benzo(a)pyreen en de andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 2.5.7.2., § 8, wordt beschreven in EN 15980:2011 "Air quality- Determination of the deposition of benz(a)anthracene, benzo(b)fluoranthene, benzo[j]fluoranthene, benzo(k)fluoranthene, benzo(a)pyrene, dibenz(a,h)anthracene and indeno(1,2,3-cd)pyrene".".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008
tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Art. 24. In bijlage XXIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden in het punt "Bijzondere gebruikseisen voor technici" na de rij

40/1, 7° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e):
7° beschikt over een vertaling van zijn certificaat van categorie I, II, III of IV naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;


de volgende rijen ingevoegd:

40/1, 8° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e):
8° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelwagen of koelaanhangwagen die een koeleenheid met gefluoreerde broeikasgassen bevat:
a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koeleenheid waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt:
1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid en eveneens in ton CO2-equivalent;
2) het type koelmiddel;
3) indien bij de koeleenheid gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koeleenheid uitgevoerd heeft;
b) als gefluoreerde broeikasgassen werden bijgevuld of afgetapt:
1) het type koelmiddel;
2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
3) de datum van bijvulling of aftapping;
4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 uitgevoerd worden:
1) de datum van de lekkagecontrole;
2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
e) bij een buitendienststelling:
1) de datum van de buitendienststelling;
2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen terug te winnen en te verwijderen;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
40/1, 9° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e):
9° houdt de registraties als vermeld in punt 8° ten minste vijf jaar bij.


".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het VLAREL
Art. 25. Aan artikel 4, § 1, van het VLAREL, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 18 maart 2016, worden een punt 67° en een punt 68° toegevoegd, die luiden als volgt:
"67° koelwagen: een motorvoertuig met een gewicht van meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust;
68° koelaanhangwagen: een voertuig dat bestemd en gebouwd is om door een vrachtwagen of een trekker te worden gesleept, primair om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust.".
Art. 26. In artikel 6, 2°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 18 maart 2016, wordt punt e) vervangen door wat volgt:
"e) koeltechnicus van categorie I, II, III of IV als vermeld in artikel 4.4.8.4, artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, artikel 6.8.1.1 of artikel 6.8.6.1 van titel II van het VLAREM;".
Art. 27. In artikel 40/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° worden na de woorden "aan stationaire koelinstallaties met zowel gefluoreerde broeikasgassen als ozonlaagafbrekende stoffen" de woorden "of aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten" toegevoegd;
2° er worden een punt 8° en een punt 9° toegevoegd, die luiden als volgt:
"8° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelwagen of koelaanhangwagen die een koeleenheid met gefluoreerde broeikasgassen bevat:
a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koeleenheid waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt:
1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid en eveneens in ton CO2-equivalent;
2) het type koelmiddel;
3) indien bij de koeleenheid gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koeleenheid uitgevoerd heeft;
b) als gefluoreerde broeikasgassen werden bijgevuld of afgetapt:
1) het type koelmiddel;
2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
3) de datum van bijvulling of aftapping;
4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 uitgevoerd worden:
1) de datum van de lekkagecontrole;
2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
e) bij een buitendienststelling:
1) de datum van de buitendienststelling;
2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen terug te winnen en te verwijderen;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
9° houdt de registraties als vermeld in punt 8° ten minste vijf jaar bij.".
Art. 28. In artikel 58/1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden "een koelinstallatie" en de woorden "die door een erkende koeltechnicus" worden de woorden "of een koeleenheid op koelwagens en koelaanhangwagens" ingevoegd;
2° de zinsnede "artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, of artikel 6.8.1.1" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.8.4, artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, artikel 6.8.1.1 of artikel 6.8.6.1 van titel II van het VLAREM".
HOOFDSTUK 4. - Overgangs- en Slotbepalingen
Art. 29. Artikel 2, 2° en 3°, artikel 12, artikel 13 en artikel 24 tot en met artikel 28 van dit besluit treden in werking op 1 juli 2017.
Art. 30. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 16 december 2016.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw,
J. SCHAUVLIEGE



  Nieuwsflash
 
CBOT: granen onder lichte druk de week uitLees meer
 
 
Beursnotering staat vast op initiatiefloze varkensmarktLees meer
 
 
Uur in de schuurLees meer
 
 
Uitdagingen bij de vleetLees meer
 
 
Studiedagen, vergaderingen en demo'sLees meer
 
 
Weerbericht voor de landbouwLees meer