De bedoeling van de overdruk is in de eerste plaats het bestaande landschapskarakter zoveel mogelijk te bewaren en bijzondere aandacht te besteden aan de esthetische aspecten van nieuwe inplantingen of verbouwingen. Dit betekent dat de 'schoonheidswaarde' van het gebied niet in het gedrang mag worden gebracht.
Schoonheidswaarde?
Voor de vergunningsaanvraag in agrarisch gebied met landschappelijke waarde moet er dus een dubbele beoordeling worden gemaakt. Vooreerst moet elke aanvraag worden getoetst aan een planologisch criterium. De vergunningverlenende overheid moet met name onderzoeken of de aanvraag in overeenstemming is met de in de grondkleur aangegeven bestemming van het gebied; in ons geval agrarisch. Agrarische gebieden zijn bestemd voor landbouw in de ruime zin, voor agrarische gebieden met landschappelijke waarde is dit niet anders.
Het tweede criterium betreft de schoonheidswaarde van een gebied. Dat is een relatief, vrij subjectief en esthetisch begrip. De aard of bestemming zelf van de constructies houdt geen rechtstreeks verband met de landschappelijke bescherming. Maar een bepaalde constructie kan als niet toelaatbaar worden beoordeeld omdat de materialen die men wil gebruiken bijvoorbeeld 'niet passen' in de betrokken omgeving. Het feit dat een bepaald gebied reeds 'aangetast is' door bestaande bebouwing kan niet als argument worden gebruikt om een bijkomende bebouwing te motiveren De schoonheidswaarde heeft dus te maken met de landschappelijke inkleding, gebruikte materialen, bouwhoogte, het bouwvolume en de plaats van de inplanting. De bijkomende voorwaarde van schoonheid mag echter niet tot gevolg hebben dat de grondbestemming (agrarisch) rechtstreeks of onrechtstreeks zou worden verboden. Bovendien mag de aanleg van een groenscherm niet als lapmiddel (schaamgroen) worden gebruikt.
Bij de beoordeling is het dus dansen op een slappe koord. Zo zal de Raad van State in bepaalde dossiers het feit dat er een groenscherm wordt voorgesteld aangrijpen als een erkenning dat het landschap zal worden geschonden. Bijgevolg zal hij oordelen dat deze schending onaanvaardbaar is.
Motivatie
Het is uiterst belangrijk om een dossier bij aanvragen in agrarisch gebied met landschappelijke waarde goed te motiveren. Deze motivering is van belang in hoofde van de aanvrager (bij het indienen van het dossier) én van de vergunningverlenende overheid. Uit een landschapsbedrijfsplan blijkt best dat de aanvraag in combinatie met het plan zeker geen kwalitatieve minwaarde betekent voor de omgeving, liefst integendeel zelfs.
Voor de overheid (in eerste aanleg het college van burgemeester en schepenen) geldt de toepassing van de wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivatie van de bestuurshandelingen. Een goede motivatie, ook bij een positieve beslissing, is van groot belang bij een eventuele procedure die kan worden opgestart bij de Raad van State.
Voorbeelden en tips
De ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 over de inrichting van de (ontwerp)gewestplannen geeft alvast enkele voorbeelden en tips:
- Landschapsbepalende elementen (hoogstammen, hagen, houtwallen ... ) moeten zoveel mogelijk worden gespaard bij het inplanten van nieuwe constructies.
- Bouwaanvragen voor volledig nieuwe bedrijven (die in overeenstemming zijn met het esthetisch mterium) zijn best vergezeld van een beplantingsplan.
- Een beplantingsplan duidt de aan te brengen beplantingen aan (soort, aantal en plaats). Er moet groenscherm de schoonheid van het landschap naar behoren ongeschonden bewaart.
- Bij de aanleg van een groenscherm is het aangewezen enkel streekeigen beplanting te gebruiken. Bij open gebieden is het wenselijk de verspreide inplanting van nieuwe constructies tegen te gaan. Voor zover de aanvrager daartoe de mogelijkheid heeft, zal hem worden gevraagd deze constructies in te planten aan de rand van het beschermd gebied; zo mogelijk buiten het landschappelijk waardevol gebied of erbinnen op een plaats waar de inplanting minder storend is.
- Bijgebouwen moeten zoveel mogelijk een eenheid vormen met het hoofdgebouw: de gebouwen zijn te groeperen voor zover dit bedrijfseconomisch mogelijk is en op te richten in harmonieuze materialen die passen in de omgeving.
- Serres worden best zoveel mogelijk in de onmiddellijke nabijheid van de andere gebouwen opgericht.
- Bij verbouwingswerken moet eveneens bijzondere aandacht worden geschonken aan het uitzicht. Als het gaat om typische boerderijen of aanhorigheden dient er met zorg te worden gewaakt over het behoud van de karakteristieken van het gebouw. In dit geval zal de provinciale afdeling ROHM (RUIm telijke Ordening, Huisvesting, Monumenten & Landschappen) contact opnemen met de administratie bevoegd voor landbouw.
- Silo's voor granen, voederskunnen worden aanvaard mits de hoogte beperkt blijft, rekening houdend met het reliëf en de beplanting.
- Wat de te gebruiken materialen betreft, zijn bepaalde materialen die courant worden gebruikt in de industriële bouw (prefabelementen op basis van beton, grote elementen voor dakbedekking ... ) in principe niet uitgesloten. Maar dit betekent niet dat gebouwen, zij het voor agrarische doeleinden met een industrieel uitzicht, overal in het landschap mogen worden opgericht.
Adviezen
Bij aanvragen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zal de provinciale afdeling RO HM eerst het advies vragen van de administratie bevoegd voorlandbouw. Die zal de aanvraag vanuit landbouwkundig standpunt onderzoeken. Bij een gunstig advies zal de provinciale afdeling ROHM het onderzoek uit stedenbouwkundig oogpunt voortzetten: inplanting, bouwvolume, materialen ... Indien het ontwerp niet kan worden aanvaard omwille van strijdigheid met de bepaling 'landschappelijk waardevol', zal ze advies inwinnen van de afdeling Monumenten en Landschappen. Bij de beoordeling gaat het hier andermaal om feitelijke kwesties, zodat maar een omstandig oordeel kan worden geveld op basis van zoveel mogelijk gegevens.
Besluit
Volgens de geldende wetgeving is er dus nog heel wat mogelijk in agrarische gebieden met landschappelijke waarde. We stellen echter vast dat de regels steeds meer beperkend worden opgevat en dat zelfs onder het mom van een advies van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) vergunningen in agrarisch gebied met landschappelijke waarde worden geweigerd. We roepen de gemeentebesturen en bestendige deputaties dan ook op tot een begripsvolle en realistische beoordeling, die ook rekening houdt met de realiteit van de land- en tuinbouw anno 2008.
Bart Dochy