Français | English
Over Ons Contacteer Ons
Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
 Gebruikersnaam: 
 Wachtwoord: 
 
 Klik hier om u te registreren en te abonneren (72,60 euro per jaar)
 Wachtwoord vergeten
Volgend artikelVolgend Artikel

 16 jan 2007 12:17 

Welzijn, gezondheid en sanitaire status van legkippen in verrijkte kooien versus niet-kooisystemen


Traditionele batterijkooien voor legkippen zullen vanaf 2012 verboden worden in de Europese Unie, in navolging van de Europese Richtlijn 1999/74. Vanaf 2012 zijn alleen verrijkte kooien en niet-kooisystemen (volièresystemen en grondhuisvesting) toegestaan.

In België is in oktober 2005 de Europese Richtlijn omgezet in nationale wetgeving. Bij deze omzetting zijn de Europese regels gevolgd, maar wordt er wel ruimte gelaten voor een aanpassing van de nationale wetgeving in 2010. Voor een eventuele aanpassing van de wetgeving worden eerst de resultaten van twee studies geanalyseerd: een socio-economische studie en een studie met betrekking tot sanitaire status en dierenwelzijn van legkippen in verrijkte kooien en niet-kooisystemen. Beide studies zijn uitgevoerd door het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) te Merelbeke, in samenwerking met het Proefbedrijf voor de Veehouderij te Geel en afgerond in de zomer van 2006.

Binnen de studie met betrekking tot sanitaire status en dierenwelzijn is eerst een literatuurstudie uitgevoerd om de reeds beschikbare kennis op een rij te zetten. Vervolgens is er een methode ontwikkeld om het welzijn en de sanitaire status van legkippen op bedrijven te meten en is deze toegepast om een vergelijking te maken tussen verrijkte kooien en niet-kooisystemen. In een eerder artikel is de uitgevoerde literatuurstudie reeds beschreven (Agriconstruct, jaargang 9, nummer 3). In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste resultaten van de bedrijfsbezoeken op gebied van welzijn, gezondheid en sanitaire status.

Bedrijven

Binnen dit onderzoek zijn 13 koppels leghennen bezocht op tien verschillende bedrijven, zes koppels leghennen in verrijkte kooien en zeven koppels leghennen in niet-kooisystemen. Binnen de niet-kooisystemen zijn er drie koppels bezocht in een volièresysteem en vier koppels in grondhuisvesting. Er zijn uitsluitend bedrijven bezocht zonder (overdekte of buiten-) uitloop. De bedrijfsbezoeken vonden plaats wanneer de hennen zo’n 60 weken oud waren (einde legperiode). Verder zijn er alleen verrijkte kooibedrijven bezocht die volledig ingerichte kooien hadden (zitstokken, nest, strooiselvoorziening). Daar er in België onvoldoende bedrijven te vinden waren die voldeden aan de criteria is er ook een aantal bedrijven bezocht in Nederland en Duitsland.

Waarnemingen

De waarnemingen namen per koppel ongeveer 1,5 dag in beslag en bestonden uit de volgende onderdelen:

  •  Gedragsobservaties (4 x 30 minuten): scharrelen, stofbaden, veerpoetsen, zitstokgebruik, lopen, staan, zitten
  • Angsttest (15 dieren): tonic immobility test - dier wordt op de rug op een tafeltje gelegd; hoe langer het dier stil blijft liggen, hoe banger het is
  • Veerschade (30 dieren) in relatie tot verenpikgedrag: veerscore nek, rug, buik, vleugels en borst
  • Voorkomen van botbreuken in borstbeen en sleutelbeen (30 dieren)
  • Botsterkte (15 dieren): botsterkte van het borstbeen en de loop- en vleugelbeenderen
  • Stofconcentratie (2 x 45 minuten): meting fijn en grof stof in de stallucht met behulp van een personal dust sampler
  • Bepaling van het aantal bacteriën in de stallucht en op de eischaal (40 eieren) (totaal aantal aërobe bacteriën en totaal aantal Enterobacteriaceae)
  • Beoordeling bevuiling eischaal en het voorkomen van breuken (120 eieren)
  •  Uitval: gerapporteerde uitval tot 60 weken
  • Algemene welzijnsscore: integratie van 17 verschillende welzijnsindicatoren tot één algemene welzijnsscore (integratie op basis van weegfactoren toegekend door 13 experts)

Resultaten en discussie

Gedragsobservaties

Kippen die gehouden werden in niet-kooisystemen scharrelden meer en liepen meer in de scharrelruimte dan kippen die gehouden werden in verrijkte kooien (Tabel 1). Ook hadden kippen in niet-kooisystemen een hoger zitstokgebruik overdag. Kippen in verrijkte kooien besteedden meer tijd aan staan en zitten dan kippen in niet-kooisystemen. Er waren geen verschillen in veerpoetsen en stofbaden tussen de verschillende systemen, hoewel een deel van het stofbaden in de verrijkte kooi schijnstofbaden betrof op de kooibodem. Uit de gedragsobservaties in de scharrelruimte en bij de zitstokken bleek dat kippen in niet-kooisystemen actiever zijn en meer gebruik maken van de geboden mogelijkheden in vergelijking met kippen in verrijkte kooien.

Tabel 1: Percentages scharrelen, veerpoetsen, stofbaden, lopen, staan, zitten en zitstokgebruik in de verrijkte kooi, grondhuisvesting en volière

 

Verrijkte kooi

Grondhuisvesting

Volière

Scharrelen

5,4a ± 2,6

16,6b ± 6,0

16,6b ± 2,2

Veerpoetsen

7,0 ± 1,5

6,1 ± 1,0

6,2 ± 2,8

Stofbaden

2,5 ± 0,9

3,3 ± 1,5

5,0 ± 1,2

Lopen

3,5a ± 1,3

15,9b ± 3,5

16,4b ± 1,5

Staan

73,3a ± 3,1

57,9b ± 8,7

54,7b ± 2,0

Zitten

7,7a ± 3,3

0,0 b ± 0,0

0,7b ± 0,7

Zitstok gebruik

25,7a ± 4,7

50,9b ± 3,0

55,9b ± 10,6

Verschillende letters in een rij geven significante verschillen aan (P<0,05)

Angsttest

In de angsttest bleven kippen uit de verrijkte kooi langer liggen dan kippen uit beide niet-kooisystemen (Figuur 1), hetgeen erop wijst dat kippen uit verrijkte kooien angstiger zijn. Blijkbaar is vrijheid van angst beter gewaarborgd in een niet-kooisysteem dan in een verrijkte kooi. De dieren kunnen natuurlijk ook makkelijker ontsnappen aan soortgenoten en verzorgers en kunnen afstand houden van mogelijke bedreigingen. In de verrijkte kooi is de ruimte om afstand te houden van soortgenoten en verzorgers beperkt.

Figuur 1: Gemiddelde duur van de tonic immobility (TI) respons bij kippen uit de verrijkte kooi, uit grondhuisvesting en uit de volière

Veerschade in relatie tot verenpikgedrag

Er was geen significant verschil in de frequentie van zacht en hard verenpikken tussen de verschillende systemen en ook de veerscore verschilde niet tussen de systemen (Figuur 2). Dit is opvallend omdat doorgaans wordt aangenomen dat verenpikken in niet-kooisystemen voor meer problemen zorgt dan in kooisystemen. Het kan natuurlijk nog wel zo zijn dat er in de niet-kooisystemen meer dieren uitgevallen zijn door verenpikken en kannibalisme dan in de verrijkte kooien. De gemiddelde conditie van het verenkleed was redelijk en lag rond de 15 punten (score 24=perfect verenkleed, score 0=volledig kaal).

Figuur 2: Frequentie van zacht en hard verenpikken bij kippen uit de verrijkte kooi, uit grondhuisvesting en uit de volière in relatie tot de gemiddelde veerscore (gele driehoekjes)

Botbreuken

Bij de meerderheid van de kippen in alle systemen zijn enkelvoudige of meervoudige breuken in het borstbeen gevonden. In beide niet-kooisystemen werden er veel meer breuken in het borstbeen vastgesteld dan in verrijkte kooien (Tabel 2).

Tabel 2: Voorkomen en de ernst van botbreuken in het borstbeen van kippen in de verrijkte kooi, grondhuisvesting en volière

 

Verrijkte kooi

Grondhuisvesting

Volière

Breuken borstbeen (%)

62a ± 6,1

82b ± 5,7

97b ± 3,3

Ernst breuken borstbeen

1,2a ± 0,1

1,6b ± 0,1

1,6b ± 0,2

Verschillende letters in een rij geven significante verschillen aan (P<0,05)

Ook waren de breuken in beide niet-kooisystemen ernstiger dan in verrijkte kooien. De ernst van de breuken werd bepaald tijdens de sectie op de dieren met behulp van de methode ontwikkeld door de Universiteit van Bristol (Verenigd Koninkrijk), weergegeven in figuur 3. In de verrijkte kooi lag de ernst rond de score 1 (enkelvoudige breuk), in de niet-kooisystemen rond de 2 (dubbele of meervoudige breuk).

Figuur 3: Score voor de ernst van de botbreuken: van score 0 (geen breuk) tot score 4 (meervoudige breuken, ernstige vervorming borstbeen; foto Universiteit van Bristol)

Het is nog onduidelijk hoe pijnlijk de verschillende types borstbeenbreuken zijn voor de dieren en daarmee hoe groot het welzijnsprobleem is, veroorzaakt door borstbeenbreuken.

Botsterkte

Kippen uit niet-kooisystemen hadden sterkere borst- en vleugelbeenderen dan kippen uit verrijkte kooien (Figuur 4). Er was geen verschil in sterkte van de loopbeenderen tussen de verschillende systemen. De sterkere vleugelbeenderen kunnen wellicht deels verklaard worden uit het feit dat kippen in niet-kooisystemen hun vleugels van jongs af aan meer gebruiken, waardoor deze zich beter kunnen ontwikkelen. Tegelijk wijzen de verschillen in botsterkte erop dat het hogere percentage borstbeenbreuken in niet-kooisystemen niet veroorzaakt wordt door zwakkere botten. Men neemt aan dat het hogere percentage breuken in niet-kooisystemen vooral veroorzaakt wordt door ongelukken waarbij de dieren tegen de zitstok of tegen de stelling aanvliegen

Figuur 4: Gemiddelde kracht die nodig is om de loop-, vleugel- en borstbeenderen te breken van kippen uit de verrijkte kooi, uit grondhuisvesting en uit de volière

Stofconcentratie

De stofconcentratie in de stallucht was zowel voor grof stof als voor fijn stof hoger in niet-kooisystemen dan in verrijkte kooien (Tabel 3). Dit kan vooral verklaard worden uit het feit dat in niet-kooisystemen veel meer strooisel aanwezig is dan in verrijkte kooien. Ook kan het stof in niet-kooisystemen niet worden verwijderd gedurende de legronde. Mogelijke oplossingen voor het verlagen van de stofconcentratie in de stallucht is het toepassen van een overdekte uitloop of een buitenuitloop (extra ventilatie, stofbadgedrag vooral in overdekte uitloop).

Tabel 3: Concentraties grof en fijn stof in de verrijkte kooi, grondhuisvesting en de volière (mg/m3)

 

Verrijkte kooi

Grondhuisvesting

Voliere

Grof stof

4,1a

18,1b

22,9 b

Fijn stof

0,6 a

2,3 b

1,8 b

Verschillende letters in een rij geven significante verschillen aan (P<0,05)

Bacteriën in de stallucht en op de eischaal

De bacteriologische belasting van de stallucht met totaal aantal aërobe kiemen lag in niet-kooisystemen significant hoger dan in verrijkte kooisystemen (5,31 log kve/m3 versus 4,75 log kve/m3; figuur 5). Daartegenover lag het aantal Enterobacteriaceae in de stallucht van de niet-kooisystemen lager, doch niet significant, ten opzichte van de verrijkte kooien (0,72 log kve/m3 versus 1,35 log kve/m3). Het negatieve effect van een hoger totaal aantal aërobe kiemen in de stallucht van de niet-kooisystemen wordt dus anderzijds gerelativeerd door de lagere druk met Enterobacteriaceae in deze systemen.

Figuur 5: Bacteriologische belasting van de stallucht met totaal aantal aërobe kiemen in de verrijkte kooien en de niet-kooisystemen

Overeenkomstig de resultaten van de stallucht, waren de eischalen van eieren geraapt in de niet-kooisystemen significant hoger belast met totaal aantal aërobe kiemen in vergelijking met de eischaal van eieren geraapt in de verrijkte kooien (4.98 log kve/eischaal versus 4.75 log kve/eischaal). Vanuit microbiologisch oogpunt is dit verschil echter relatief beperkt. Het aantal Enterobacteriaceae op de eischaal van eieren geraapt in de diverse huisvestingssystemen werd eveneens bepaald. Gemiddeld lag in meer dan 90% van de gevallen dit aantal beneden de detectielimiet van 10 kve/eischaal. Er werden geen significante verschillen gevonden tussen de niet-kooisystemen en de verrijkte kooien.

Bevuiling en breuken eischaal

In Tabel 4 wordt het voorkomen van breuken, haarscheuren en schaalbevuiling voor de diverse huisvestingssystemen weergegeven. Opvallend is het significant grotere aantal breuken voor de eieren uit de verrijkte kooien (7,8% van de eieren) tegenover de niet-kooisystemen (4,1%). Dit resultaat wordt echter veroorzaakt door het hoge aantal breuken vastgesteld in één van de onderzochte verrijkte kooibedrijven; 24% van de geraapte eieren hadden breuken. Indien dit individuele resultaat buiten beschouwing wordt gelaten wordt gemiddeld slechts 4,5% breuk in de vijf resterende verrijkte kooisystemen vastgesteld. Deze frequentie is vergelijkbaar met de 4,1% breuk vastgesteld in de niet-kooisystemen. Wat de algemene aanwezigheid van vuil (pluimen, feaces, eiwit, eigeel, stof, …) op de eischaal betreft werd geen verschil vastgesteld tussen de niet-kooisystemen (24%) en de verrijkte kooien (22%).

Tabel 4: Voorkomen breuken, haarscheuren en bevuiling eischaal in de niet-kooisystemen en de volière

 

Aantal eieren

Breuk %

Haarscheuren %

Vuil %

Niet-kooisystemen

778

4,1a

1,5

24,0

Verrijkte kooien

717

7,8b

2,8

22,0

Verschillende letters in een kolom geven significante verschillen aan (P<0,05)

Uitval

De uitval was lager in de verrijkte kooi (ongeveer 2%) dan in beide niet-kooisystemen (ongeveer 8%; Figuur 6). Belangrijke uitvalsoorzaken die de pluimveehouders van niet-kooisystemen aanduidden zijn verenpikken en kannibalisme, gezondheidsproblemen (E. coli / IB), vogelmijten en verstikking. Doordat de dieren in grote groepen gehouden worden zijn de risico’s op een hoge uitval bij een uitbraak van verenpikken en kannibalisme groter. Ook het probleem dat dieren elkaar dooddrukken in de nesten of op een hoop kruipen in de scharrelruimte wordt vooral gezien in niet-kooisystemen en zorgt vooral voor problemen in zeer grote groepen. Daarnaast hebben de dieren in niet-kooisystemen meer contact met strooisel en uitwerpselen, hetgeen ze ook met meer ziektekiemen in contact zou kunnen brengen dan kippen in verrijkte kooien. Al deze zaken zouden kunnen bijdragen tot de hogere uitval.

Figuur 6: Uitval tot 60 weken (gerapporteerd door de pluimveehouder) in de verrijkte kooi, grondhuisvesting en volière

Algemene welzijnsscore

Bij integratie van de welzijnsindicatoren besproken in dit artikel en een aantal andere (17 indicatoren in totaal) tot een algemene welzijnsscore bleek dat niet-kooisystemen een hogere welzijnsscore hadden dan verrijkte kooien, hetgeen wijst op een beter welzijn (Figuur 7). Daar moet wel onmiddellijk aan toegevoegd worden dat beide systemen duidelijk hun voor- en nadelen hebben, zoals blijkt uit de resultaten van de afzonderlijke welzijnsindicatoren.

Figuur 7: Algemene welzijnsscore voor de verrijkte kooi, grondhuisvesting en volière

Besluit

Het doel van dit onderzoek was om een vergelijking te maken van het welzijn en de gezondheid van leghennen in verrijkte kooien en niet-kooisystemen. Niet-kooisystemen  presteerden beter dan verrijkte kooien met betrekking tot gedragsmogelijkheden, angst en botsterkte. Verrijkte kooien presteerden dan weer beter dan niet-kooisystemen voor wat betreft uitval, het voorkomen van botbreuken en de stofconcentratie in de lucht. De verrijkte kooien presteerden eveneens beter zowel voor wat betreft het aantal aërobe kiemen in de stallucht als het aantal aërobe kiemen op de eischaal.

Het aantal Enterobacteriaceae in de stallucht en op de eischaal was niet significant verschillend tussen de niet-kooisystemen en de verrijkte kooien. Wat de algemene aanwezigheid van vuil op de eischaal betreft werd geen verschil vastgesteld tussen de niet-kooisystemen en de verrijkte kooien. Het verzamelen van meer data over het voorkomen van breuken in de beide systemen is aangewezen. Er was geen verschil in veerschade of in verenpikgedrag tussen de systemen. Wanneer alle gemeten welzijnsindicatoren gecombineerd werden in een algemene welzijnsscore, bleek dat de niet-kooisystemen beter scoorden voor welzijn dan de verrijkte kooien. Beide systemen hebben echter duidelijk voor- en nadelen en zijn voor verbetering vatbaar.

Verbeteringen van de niet-kooisystemen zouden kunnen liggen in het verstrekken van een overdekte- of buitenuitloop aan de dieren. Dit zal vermoedelijk een gunstig effect hebben op de stofconcentratie in de stallucht, dankzij de extra ventilatie in de stal en dankzij het feit dat de kippen veel van hun stofbad- en scharrelgedrag (gedragingen die voor veel stof zorgen) in de overdekte uitloop zullen uitvoeren. Het verstrekken van een buitenuitloop heeft ook een gunstig effect op verenpikken en kannibalisme, en zou daarmee ook kunnen leiden tot een verlaging van de uitval. Data op gebied van een vergelijking van welzijn van kippen in niet-kooisystemen met en zonder uitloop zijn echter nauwelijks voorhanden. Daarom heeft het ILVO een voorstel ingediend bij de federale overheid om ook volièresystemen met (overdekte) uitloop te onderzoeken.

Voor wat betreft verbeteringen aan de verrijkte kooi, zou vooral gezocht moeten worden naar systemen die beter tegemoet komen aan de gedragsbehoeftes van de kip. Hierbij zou vooral gedacht kunnen worden aan de grotere verrijkte kooien, zoals die momenteel vooral in Duitsland worden toegepast. In deze ‘Kleinvolières’ worden grotere groepen dieren gehouden (50-100 per kooi), waardoor de kooi als geheel groter wordt en meer ruimte biedt aan zitstokken, (een grotere) scharrelruimte en nesten. Ook kan dit type kooi vaak logischer worden ingericht dan de kleinere verrijkte kooien (bijvoorbeeld: geen zitstokken dwars op de looprichting).

Op basis van de resultaten van deze studie kunnen we besluiten dat zowel verrijkte kooien als niet-kooisystemen duidelijk voor- en nadelen hebben met betrekking tot welzijn en gezondheid van leghennen. Voor wat betreft de algemene welzijnsscore scoorden niet-kooisystemen beter dan verrijkte kooien. De hogere uitval, het hogere percentage kippen met botbreuken, de hogere stofconcentratie, en het grotere aantal aërobe kiemen in vergelijking met verrijkte kooien zijn echter punten van zorg. In de verrijkte kooien lijkt het dan weer van belang om de dieren meer ruimte en gedragsmogelijkheden te geven.

Onderzoekingen gesubsidieerd door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Adres:

  • Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), Eenheid Dier, Scheldeweg 68,  9090 Melle
  • Tel.: 09 272 26 00 en Fax: 09 272 26 01 of E-mail: frank.tuyttens@ilvo.vlaanderen.be of bas.rodenburg@wur.nl.
  • Proefbedrijf voor de Veehouderij, Poiel 77, 2440 Geel, Tel.: 014 56 28 84 of Fax: 014 56 28 71 ofE-mail: johan.zoons@proefbedrijf.provant.be
  • Door Bas Rodenburg, Frank Tuyttens, Koen De Reu, Koen Grijspeerdt, Lieve Herman, Johan Zoons en Bart Sonck


Zoek: 
Nieuwsflash
 Pfizer Animal Health en de Hippoliastichting werken samen (update)
 Gebruikersdag Visser 7 maart 2012
 Producentenorganisaties groenten en fruit komen beter tot hun recht
 Huldiging Peter Goossens is uitgesteld
 Veel problemen met bevroren waterleidingen in de land - en tuinbouw
 Ruimere vruchtwisseling: voor- en nadelen voor nutriëntenbenutting en bedrijfseconomie
 Welke fondantchocolade smaakt het best?
 Slachting bij de dieren door vrieskou
 "Ambachten nood aan waardering, ondermeer door meer hedendaagse naam"
 Eerste Nederlandse koudegolf sinds 1997
 Griekse telers delen aardappelen gratis uit
 Financiële compensatie voor groene RUP's
 Juncker ziet mogelijks Grieks faillissement
 Aanbevelingen voor goed stoken in open haard of houtkachel
 Chocoladen Oscars voor Roskam (update)
 Studiedagen, vergaderingen en demo's
 Bevroren aardappelmarkt
 Weerbericht voor de landbouw
 Weerwaarschuwingen in Europa
 
© 2005 BNL.a.p. - info@agripress.be - designed by