Relatie met potermaat opvallend
- Van de 15 percelen Bintjes die regelmatig door het PCA worden opgevolgd, zijn er 8 geplant met de potermaat 35/45 mm. Gemiddeld is op deze percelen momenteel ca. 29 % van de knollen doorgeschoten.
- Bij de percelen met een potermaat 28/35 mm was gemiddeld ca. 38 % van de knollen doorgeschoten.
- Op de 2 percelen met potermaat 25/28 mm was 60 % van de knollen doorgeschoten.
De weeroomstandigheden van de komende dagen en weken zullen bepalen hoe de doorwas evolueert. Waar veel secundaire knollen voorkomen zal voldoende zonlicht en vocht nodig zijn opdat beide knollen een goede sortering en een vldoende hoog onderwatergewicht zouden krijgen.
Wie nu reeds voldoende opbrengst en een afrijpend gewas heeft, kan een trage loofdoding overwegen vooraleer de secundaire knollen té groot worden met kans op leegzuigen. Op andere percelen zal het nog afwachten zijn.
Ontstaan en gevolgen
Door de hoge temperaturen wordt de kiemrust van de knollen doorbroken. Van zodra de groei herneemt (bv. na regen) kunnen de knollen kiemen en scheuten vormen. Deze scheuten kunnen uit de rug groeien (geeft weinig schade) of kunnen aanleiding geven tot vorming van nieuwe (secundaire) knollen. Als het gewas nog voldoende lang kan doorgroeien, kunnen deze secundaire knollen uitgroeien tot volwaardige knollen. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met een fijnere sortering. Wanneer op het moment van loofdoding deze nieuwe knollen nog onvoldoende uitgegroeid zijn, dan zullen ze voedingsstoffen opnemen uit de primaire (= eerst gevormde) knollen. Het resultaat is dat de droge stof van de primaire knollen afneemt met drijvers en eventueel (eind)glazigheid als gevolg. Dit kan tot behoorlijke kwaliteitsverliezen leiden.
Een derde vorm van doorwas zijn popperige knollen, waarbij de secundaire knol direct op de primaire knol ontwikkelt met sterk misvormde knollen als gevolg.
Bestrijding
Om te voorkomen dat de temperatuur in de rug té hoog oploopt, kan er preventief beregend worden. Eenmaal de kiemrust echter doorbroken is, kan doorwas niet meer gestopt worden. Nu beregenen zal net als een natuurlijke regenbui (indien voldoende groot) leiden tot het hernemen van de groei met scheutvorming en secundaire knolvorming als gevolg. Mocht het de komende weken droog blijven, dan zullen beregende percelen alvast minder snel afrijpen. Dit kan een voordeel zijn omdat secundair gevormde knollen dan voldoende kunnen uitgroeien. Behandelen met Fazor, een middel dat de kieming tijdens de eerste maanden van de bewaring en opslag afremt, heeft op het moment van scheutvorming geen effect op doorwas. Het product heeft de na behandeling 3 weken nodig bij groeizaam weer om in voldoende concentratie in de knol te geraken. Bij hoge temperaturen is het trouwens niet aan te raden om Fazor in te zetten, omwille van het risico op groeistilstand en opbrengstremming.
Vaststellingen in 1999
- Eerste symptomen waarge-nomen eind juli; de gemiddel-de plantdatum lag rond 2 mei.
- Begin augustus vertoonden de helft van de percelen Bintje doorwas. Van de percelen met symptomen bleef dit in de meeste gevallen beperkt tot maximum 5% doorgeschoten knollen. In 1 op 10 percelen was ruim 10% van de knollen doorgeschoten.
- Midden augustus werden op 2/3 van de percelen symptomen waargenomen en bij 1/6 percelen was 25% van de knollen doorgeschoten
- Bij de oogst had de helft van de percelen geen drijvers. De andere percelen hadden gemiddeld 7% drijvers. In 1 op 6 percelen werd toen 10% suikertop opgemerkt (variërend van 5 tot 15%).
Vaststellingen in 2001
- Eerste vaststellingen rond half juli, de gemiddelde plantdatum lag rond 15 mei.
- Begin augustus vertoonde 1/3 van de knollen doorwasver-schijnselen. Dit aantal is niet meer toegenomen.
- Begin oktober, na loofdoding, lag het percentage drijvers tussen 0 en 5% en werd geen suikertop (= bruinbakken als gevolg van eindglazigheid) vastgesteld.